De Voetballer
Het Beeld
De Voetballer van Chabot is vervaardigd uit gewapend beton. Het beeld staat sinds de openingsdag van het voetbalstadion De Kuip in 1937 in de centrale hal. Het gegoten beeld is een uitzondering in het oeuvre van Chabot, die zijn beelden meestal uit hout of steen hakte. Voor de vervaardiging van sculpturen is gewapend beton geen gebruikelijk materiaal.In de betonnen figuur dient een wapening van ijzer als skelet. De buigingen van het stugge wapenijzer zijn in de vorm te herkennen, maar dit is niet de reden waarom de voetballer in zijn houterige pose staat.
De hoekige
vormen zijn een bewuste keuze van Chabot. Voetbal is een volkssport, vond hij,
en dus gaf hij degene die de sport beoefende het postuur van een arbeider:
gedrongen en bonkig, met overdreven brede schouders en stevige onderarmen.
De voetballer lijkt bevroren in zijn pose. De enige vorm van dynamiek
wordt veroorzaakt door de ledematen die in uiteenlopende richtingen uit de tors
steken. Het lichaam is zeer gestileerd weergegeven. Er is weinig afwisseling in
het volume van de hoofdvormen of in de richting van de welvingen. De schaarse
details worden aangeduid met lijnen, alleen de kop is meer ruimtelijk
gemodelleerd.
Specificaties
| bijnamen | Manus Gorilla |
| jaartal vervaardiging | 1937 |
| locatie sinds | 1937, Olympiaweg 72, Sportdorp, IJsselmonde |
| afmetingen beeld (hxbxl) in cm | 200 x 100 x 100 |
| materiaal | Gewapend beton, brons |
De Plek
Hendrik Chabot heeft in Rotterdam slechts een paar werken voor de openbare ruimte vervaardigd, waaronder de sluitstenen voor enkele bruggen in Blijdorp en klein beeldhouwwerk aan het monument voor G.J. de Jongh in het Museumpark. Desondanks werd hij in 1936 verzocht een beeldhouwwerk van aanzienlijk formaat te vervaardigen. Het beeld zou een plek krijgen in het nieuwe stadion voor de sportclub Feijenoord, dat gebouwd werd door de architecten Brinkman en Van der Vlugt. Voor het beeld was geld ingezameld door de Commissie ter aanbieding van een beeld aan de R.V. & A.V. Feijenoord. In de opdracht lag besloten dat het beeld een voetballer moest voorstellen en van hetzelfde materiaal moest zijn als dat waarin het stadion zelf was opgetrokken: gewapend beton. Chabot vervaardigde een kleimodel van zijn ontwerp en kreeg daarna opdracht om het beeld uit te voeren.
Om ervaring op te doen met
het materiaal maakte Chabot in 1936 eerst een proef: een beeldje van 73
centimeter hoog, dat een zittend boertje voorstelt. Deze proef bevindt zich nu
in het Chabotmuseum, dat gevestigd is in een historische villa aan de rand van
het Rotterdamse museumpark. Van dit beeldje zijn tevens twee bronzen exemplaren
gegoten.
Het beeld van de voetballer kwam gereed in 1937 en werd op de
openingsdag van het nieuwe stadion in de hal gepresenteerd. De reacties van
zowel publiek als kunstcritici waren niet lovend. De lichaamsbouw en de
houterige pose van de figuur waren een doorn in het oog van voetballiefhebbers.
Kunstrecensenten hadden kritiek op de primitieve vormentaal en de deformatie van
de figuur. Deze voetballer heeft er waarschijnlijk mede toe bijgedragen dat het
werk van Chabot door de Nazi’s als ‘entartet’ werd bestempeld en in de ban werd
gedaan.
Het Essay
Henk Chabot, vooral bekend als schilder maar in de jaren twintig en dertig ook zeer actief als beeldhouwer, profiteerde in de crisisjaren van de toegenomen interesse voor beeldhouwkunstige stadsverfraaiing in zijn woonplaats. In 1931 beklaagde de kunstenaar zich, in een van de zeldzame interviews met hem, nog over het gebrek daaraan: "Juist in Rotterdam met haar grote arbeidersbevolking zou het toch toe te juichen zijn als de beeldhouwkunst in de nieuwe wijken gelegenheid kreeg zich te doen gelden. Wordt er van bovenaf niets gedaan, van onderaf gaat het al evenmin. Bij verschillende woningbouwverenigingen hebben wij het geprobeerd, maar men voelt er niets voor. Waarachtig, wij willen hier graag werken en allicht ook graag wat verdienen, maar ’t is vrijwel hopeloos."
Het is alsof de gemeente zijn klacht ter harte
nam, want nog datzelfde jaar kreeg hij, samen met enkele andere modern
georiënteerde beeldhouwers, een opdracht voor enkele sluitstenen voor bruggen in
de nieuwe wijk Blijdorp. Vijf jaar later leverde hij een bescheiden bijdrage aan
het G.J. de Jongh-monument in het Museumpark. Van meer belang was de opdracht,
in 1936, van de ‘Commissie tot aanbieding van een beeld aan de R.V. & A.V.
Feijenoord’, naar aanleiding van het gereedkomen van het nieuwe stadion van de
Rotterdamse voetbalvereniging. Vast stond, dat het werk een voetballer moest
voorstellen, die – net als het gebouw – van gewapend beton moest zijn. De
definitieve opdracht kreeg Chabot pas nadat hij het stadionbestuur een kleimodel
van zijn ontwerp had getoond. Achteraf gezien is dat hoogst opmerkelijk, want de
kritiek die het beeld bij de opening van het stadion op 27 maart 1937 ten deel
viel, was niet mals. Volgens dagblad De Telegraaf was een ‘beeld van een schoon
mensch van sterke gezondheid’ in het stadion op zijn plaats geweest, en niet
deze ‘zieke’. Een Rotterdamse krant publiceerde een hekeldicht, dat eindigde
met: Dáár zal het staan, tot ’t menschenkind Ook in de kunst weer waarheid
mint En stukken slaat dit hard stuk spot… Eéns zal ’t zoo zijn! Tot dan,
Chabot…
De kritiek betrof vooral het primitivistische uiterlijk van de
‘penibele en gedegeneerde’ sportfiguur. Deze heeft ondanks zijn twee meter
lengte een wat gedrongen postuur, vooral door zijn buitenproportioneel brede
schouders en dikke onderarmen. Ook anatomische details, zoals beenspieren,
knieën en gezicht zijn onrealistisch en rudimentair. Waar andere beeldhouwers
het naar voren zwiepende been wellicht als uitgangspunt voor een dynamisch
draaiende tors zouden nemen, als in een kurkentrekkerbeweging, deed Chabot
precies het tegenovergestelde: de figuur draait er tegenin. Chabot heeft in
feite twee momenten uit een typische schietbeweging weergegeven. Het vreemd
verdraaide bovenlichaam maakt zich op voor de ferme uithaal, terwijl het
gestrekte rechterbeen aangeeft dat het schot reeds is genomen. Het was Chabot
vooral te doen om een complex, formeel spel van tegengestelde diagonalen dat
kenmerkend is voor het beeld. Maar mede dankzij het lange, smalle hoofd, de
opzichtige frons, de te grote oren en het ogenloze gezicht strak op een niet
aanwezige bal gericht, zagen tijdgenoten in het beeld bovenal de vervolmaking
van een karikatuur van een voetballer.
Behalve het publiek, dat het werk al snel
‘Manus Gorilla’ en ‘Jan-met-de-handjes’ doopte, vermoedden ook de helden van de
bal zelf dat De voetballer een minder gunstige mening over hun geestelijk peil
illustreerde. Zij waren gewend dat sporters op een klassiek-heroïsche manier
werden vereeuwigd, zoals gebruikelijk was in de oudheid of in nazi-Duitsland,
waar de sportcultus met de Olympische Spelen in 1936 juist zijn meest recente
hoogtepunt had beleefd.
Chabot was niet de enige in Nederland die rond
1930 een gedeformeerde, primitivistische beeldtaal ontwikkelde voor schilderijen
en beelden van boeren en arbeiders. Dat werd gezien als passend bij het
onbehouwene, ongekunstelde en eerlijk ‘volkse’. Ook Leo Gestel, Constant Permeke
en Chabots schildersvriendin Charley Toorop benaderden soortgelijke onderwerpen
in een deformerend idioom. Voetballen was destijds al een arbeiderssport bij
uitstek – Chabot schijnt naar aanleiding van de kritieken op zijn beeld ooit met
een sneer te hebben opgemerkt, dat een mens niet veel hersens nodig heeft om
achter een bal aan te hollen. Maar juist het volkse karakter van de voetballer
was voor hem aanleiding om deze tot thema te verheffen. Zoals Charley Toorop
eens zei over de boeren en arbeiders op haar schilderijen: "Wanneer ze dan al
van de cultuur het een en ander missen, ze zijn in ieder geval vrij gebleven van
een ‘beschaving’, die krachteloos maakt."
Om zulke opvattingen gestalte te
geven, greep Chabot – in navolging van de kubisten en expressionisten in de
eerste decennia van de twintigste eeuw – terug op niet-klassieke, ‘onbeschaafde’
voorgangers uit de geschiedenis van de kunst, waaronder de archaïsche en
romaanse sculptuur, het werk van de door hem bewonderde Pieter Bruegel en de
niet-westerse kunst. Ook het materiaal van zijn sculpturen liet hij een rol
spelen in het deformatieve aspect ervan. Chabots houten figuren bijvoorbeeld
zijn nadrukkelijk opgesloten in de begrenzingen van de boomstamvorm waaruit ze
zijn gehouwen, vergelijkbaar met totempalen. Opmerkelijk is zijn in een
molensteen gebeitelde Kop van een Zeeuwse boer uit 1933, waar de ronde vorm van
de steen is uitgebuit. En in De voetballer zijn de buigingen van het stugge
wapenijzer in het beton nog te herkennen, alsof Chabot heeft willen aantonen dat
grove materialen als vanzelf leidden tot een grove beeldtaal.
Wie De
voetballer vanuit een positie links voor bekijkt, ziet een afwisseling van
aanzichten: benen en hoofd en profil, romp frontaal. Het is een figuraal schema
dat typisch is voor reliëfs uit het oude Egypte. Ook de archaïsche glimlach,
amandelvormige oogholtes en de ingegraveerde, weinig naturalistische
detailleringen doen daar aan denken. In die zin toont de sculptuur verwantschap
met Chabots meer verfijnde beelden uit de jaren twintig met hun soms Egyptisch
aandoende art-deco-stileringen. De voetballer is veel vrijer en expressiever, al
is in de hoofdvorm het complex gestileerde karakter behouden gebleven.
De
vroegere kritiek op het werk is inmiddels wel verstomd. Desalniettemin kan maker
van bovenstaand hekeldicht enige profetische gaven niet worden ontzegd.
Chabots
atelier, met daarin een groot aantal schilderijen en beeldhouwwerken, ging
tijdens het bombardement van 14 mei 1940 in vlammen op. Bovendien werd zijn werk
tijdens de Duitse bezetting als entartet verklaard, wat volgens zijn biograaf
Leo Ott zelfs tot vernietiging van een openbaar beeld zou hebben geleid. Dat is
De voetballer, sterk als beton en onbeschaafd krachtig van uiterlijk als hij is,
gelukkig niet overkomen.
Jelle
Bouwhuis
Bibliografie
Bijlsma, J. et al., tent. cat. Henk Chabot
en Charley Toorop, Chabot Museum, Rotterdam 1999.
Ott, L., Hendrik Chabot –
leven en werk, Rotterdam 1981.
Vollemans, K. et al., Henk Chabot 1894-1949 –
beelden, Den Haag 1983.


