Il Grande Miracolo

fotografie: Jannes Linders

Het Beeld

Het steigerende paard heeft zich zover opgericht dat het dier op zijn achterste lijkt te zitten. De hals is gestrekt en het hoofd steekt de lucht in. Alleen de voorbenen, die los voor het grote lichaam hangen, lijken het dier nog enigszins in balans te houden. In deze verstilde houding – alsof het dier even gewichtloos is alvorens definitief om te vallen – lijkt het paard het onafwendbare te ondergaan. De ruiter is in verhouding tot het paard zeer klein van stuk en valt bijna van het paard. Als een acrobaat klemt hij zich met zijn benen aan het dier vast. Aan paard en ruiter zijn een diepe angst en wanhoop af te lezen.

Het Comité Oprichting Pleinweg-Gedenkteken stelde voor om deze vallende ruiter als monument te installeren op de plaats waar in de Tweede Wereldoorlog een twintigtal burgers door de bezetter werd gefusilleerd. Voor velen symboliseert dit beeld van Marini de verschrikkingen van de oorlog.

Specificaties

bijnamen Gevallen ruiter
jaartal vervaardiging 1957
locatie sinds 1989, Mijnsherenlaan/Pleinweg, Tarwewijk, Charlois
afmetingen beeld (hxbxl) in cm 250 x 70 x 70
materiaal Geelkoperlegering en natuurstenen sokkel

De Plek

Een ander beeld dat op die expositie werd getoond, eveneens een ruiter te paard, viel in de smaak bij de leden van het Comité Oprichting Pleinweg-Gedenkteken. De sculptuur verbeeldde hun herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Ze wilden het een plek geven in Rotterdam-Zuid, nabij de plaats waar in maart 1945 twintig burgers werden gefusilleerd. Na instemming door diverse betrokkenen, waaronder de Wijkraad Oud en Nieuw Charlois, Stichting Herrijzend Rotterdam en de Nationale Monumenten Commissie, werd besloten het beeld aan te kopen. Dat er al een exemplaar van het beeld in de Duitse stad Mannheim stond, vond men geen bezwaar en de kunstenaar gaf de garantie dat het beeld voor Rotterdam het laatste zou zijn dat gegoten werd.

In juli 1957 werd het beeld aan het gemeentebestuur aangeboden. Het werk geplaatst op een stenen sokkel met een inscriptie naar de woorden van P. Begeer: "1940-1945 Voor de ongenoemden die vielen voor de vrijheid, onsterfelijk door het offer van hun leven". Op 4 mei 1958 werd het beeld onthuld door de toen 12-jarige Frans Lam, zoon van één van de gevallenen. Sindsdien is het beeld een aantal malen verplaatst, onder meer bij de aanleg van de metro. Sinds 1989 staat het 150 meter van de plaats waar het drama zich voltrok, beschermd door een betonnen ombouw.

Het Essay

Het Comité oprichting Pleinweg-gedenkteken zag het beeld in 1955 op de eerste overzichtstentoonstelling van Marini in Nederland in Museum Boymans. Het leek haar een passend, modern monument om het drama te herdenken dat zich op 12 maart 1945 aan de Pleinweg voltrok: als represaille voor de moordaanslag op twee leden van de Sicherheitsdienst werden daar twintig Nederlanders doodgeschoten.
Het duurde nog tot 1957 voor het geld en de toestemming voor de aankoop van Marini’s beeld er waren. Vervolgens droeg het Comité de sculptuur over aan de gemeente met het verzoek dit op het Zuidplein te plaatsen. Men wilde echter ook op de fusilladeplaats zelf een herdenkingsmonument realiseren. Cor van Kralingen kreeg hiertoe de opdracht en hij vervaardigde een hardstenen beeld van een treurende vrouw. Beide beelden werden op 3 mei 1958 onthuld door de zoon van een van de gefusilleerden. Het publiek moest, net als vijf jaar eerder bij De verwoeste stad van Zadkine, wennen aan de dramatische vormentaal van Il grande miracolo. De zeggingskracht van het beeld won het echter van de bezwaren. De ‘Vallende Ruiter’ werd niet alleen geaccepteerd, maar is sinds 1986 zelfs geadopteerd door de openbare basisschool Dubbelspoor, waar het deel uit maakt van educatieve projecten over thema’s als gelijkheid en vrijheid. In kunsthistorisch opzicht slaat Il grande miracolo een brug tussen het oorlogsmonument en het ongebonden, vrije beeld. Het werd als autonoom kunstwerk gemaakt en kreeg pas later de functie van herdenkingsmonument.

In het oeuvre van Marini is Il grande miracolo een van de laatste uit de reeks ruiterbeelden waaraan hij in 1936 begon. Naast het vrouwelijk naakt en het portret, is het ruiterbeeld een van zijn hoofdthema’s. Marini combineert deze klassieke onderwerpen uit de traditie van de westerse beeldhouwkunst met de vormentaal van de Etruskische grafsculptuur, die voor hem een belangrijke bron van inspiratie is geweest. Naarmate de internationale spanningen en de oorlogsdreiging eind jaren dertig toenamen, groeide ook de onrust in het werk van Marini. De benadering van het thema van de ruiter werd subjectiever, de uitvoering expressiever en de balans tussen ruiter en paard raakte verstoord. Zetten paard en ruiter zich eerst nog schrap in hun respectievelijke horizontale en verticale houding, in de jaren vijftig maakte deze statische compositie plaats voor verwrongen, hoekige vormen. Een groter contrast dan tussen de dramatische Il grande miracolo en de eerste statische beelden uit de jaren dertig is nauwelijks denkbaar.
Eenzelfde ontwikkeling naar meer dynamiek is zichtbaar in het andere werk van deze beeldhouwer, schilder en graficus. Met name in de portretten waarmee hij al in 1927 begon. In de jaren dertig doen deze nog denken aan anonieme beeltenissen uit ver vervlogen tijden, in de jaren veertig en daarna komt de nadruk te liggen op de persoonlijkheid van de geportretteerde. Statische naaktfiguren veranderen gaandeweg in danseressen en acrobaten. Ook hier speelt een ontwikkeling van evenwicht naar beweging, vereenvoudiging van vorm en onregelmatige textuur een steeds grotere rol.
Door deze ontwikkeling werd het werk van Marini op brede schaal gewaardeerd, zoals blijkt uit zijn deelname aan de Documenta in Kassel in 1955, aankopen door het Kröller-Müller Museum en de tentoonstelling in Museum Boijmans, dat zelf ook een ruiterbeeld van de kunstenaar kocht.


Ineke Voorsteegh

literatuur:
Abelman, H. (red.), De Vallende Ruiter: Marino Marini, Deelgemeente Charlois, Rotterdam 1995
Gasser, M., ‘Marino Marini als Porträtist’, Du, 23. Jahrgang Oktober 1963, Verlag Conzett & Huber Zurich
Hammacher, A. M., Marino Marini, catalogus Museum Boymans Rotterdam 1955
Hunter, S., Marino Marini: The Sculpture, New York 1993
Nieuwenhuis-Verveen, G. W. J., Standbeelden, monumenten en sculpturen in Rotterdam, Gemeentelijke Archiefdienst-Rotterdam 1972
Voorsteegh, I (red.) catalogus De torso in Nederland, Dordrechts Museum 1991
Wagenaar, A. en P. Rook, Van De Zweth tot Zadkine, monumenten in Rotterdam die herinneren aan de jaren 1940-1945, CBK, Rotterdam 1991

Archief

Op 3 mei 1958 werd het beeld onthuld door de toen 12-jarige Frans Lam, zoon van één van de gevallenen.

Het monument 'De Vallende Ruiter' in Rotterdam is opgericht ter nagedachtenis aan de veertig mannen die op 12 maart 1945 door de bezetter werden...

Na de onthuling in 1958 is het beeld vele malen verplaatst. De oorspronkelijke plaats was naast de Groote schouwburg van Sybold van Ravensteyn (nu theater Zuidplein).

Daarna heeft het beeld op het Zuidplein gestaan, naast expositieruimte Kunstzaal Zuid (later verenigingsgebouw Blokhut). In 1987 zijn er woningen en...

Marini en Manzù in Beelden aan Zee

Twee kunstenaars die, in onderlinge rivaliteit en via verschillende wegen, de klassieke figuratieve beeldhouwkunst tot een verrassend nieuw...