Il Grande Miracolo
Het Beeld
Het motief dat de kunstenaar Marino Marini gedurende het grootste deel van zijn artistieke carrière bezighield, was dat van de ruiter te paard. Het onderwerp boeide hem zowel plastisch als emotioneel. Zowel bij de vroege, meer statische beelden als bij de latere versies, zoals de Rotterdamse Il Grande Miracolo uit 1953, is telkens dezelfde ingehouden spanning aanwezig.
Het steigerende paard heeft zich zover opgericht dat het dier op zijn
achterste lijkt te zitten. De hals is gestrekt en het hoofd steekt de
lucht in. Alleen de voorbenen, die los voor het grote lichaam hangen,
lijken het dier nog enigszins in balans te houden. In deze verstilde
houding – alsof het dier even gewichtloos is alvorens definitief om te
vallen – lijkt het paard het onafwendbare te ondergaan. De ruiter is in
verhouding tot het paard zeer klein van stuk en valt bijna van het
paard. Als een acrobaat klemt hij zich met zijn benen aan het dier vast.
Aan paard en ruiter zijn een diepe angst en wanhoop af te lezen.
Het Comité Oprichting Pleinweg-Gedenkteken stelde voor om deze vallende
ruiter als monument te installeren op de plaats waar in de Tweede
Wereldoorlog een twintigtal burgers door de bezetter werd gefusilleerd.
Voor velen symboliseert dit beeld van Marini de verschrikkingen van de
oorlog.
Specificaties
| bijnamen | Gevallen ruiter |
| jaartal vervaardiging | 1957 |
| locatie sinds | 1989, Mijnsherenlaan/Pleinweg, Tarwewijk, Charlois |
| afmetingen beeld (hxbxl) in cm | 250 x 70 x 70 |
| materiaal | Geelkoperlegering en natuurstenen sokkel |
De Plek
In 1955 was op een solotentoonstelling in museum Boijmans Van Beuningen een aantal beeldhouwwerken van de Italiaanse kunstenaar Marino Marini te zien. Eén van de geëxposeerde beelden, een bronzen ruiter te paard, werd aangekocht door het museum. Dit beeld staat stevig met vier benen op de grond en zowel paard als ruiter stralen kracht en levenslust uit. Het beeld staat in de museumtuin.
Een ander beeld dat op die expositie werd getoond, eveneens een ruiter
te paard, viel in de smaak bij de leden van het Comité Oprichting
Pleinweg-Gedenkteken. De sculptuur verbeeldde hun herinneringen aan de
Tweede Wereldoorlog. Ze wilden het een plek geven in Rotterdam-Zuid,
nabij de plaats waar in maart 1945 twintig burgers werden gefusilleerd.
Na instemming door diverse betrokkenen, waaronder de Wijkraad Oud en
Nieuw Charlois, Stichting Herrijzend Rotterdam en de Nationale
Monumenten Commissie, werd besloten het beeld aan te kopen. Dat er al
een exemplaar van het beeld in de Duitse stad Mannheim stond, vond men
geen bezwaar en de kunstenaar gaf de garantie dat het beeld voor
Rotterdam het laatste zou zijn dat gegoten werd.
In juli 1957 werd het beeld aan het gemeentebestuur aangeboden. Het werk
geplaatst op een stenen sokkel met een inscriptie naar de woorden van
P. Begeer: "1940-1945 Voor de ongenoemden die vielen voor de vrijheid,
onsterfelijk door het offer van hun leven". Op 4 mei 1958 werd het beeld
onthuld door de toen 12-jarige Frans Lam, zoon van één van de
gevallenen. Sindsdien is het beeld een aantal malen verplaatst, onder
meer bij de aanleg van de metro. Sinds 1989 staat het 150 meter van de
plaats waar het drama zich voltrok, beschermd door een betonnen ombouw.
Het Essay
Aan de drukke Pleinweg in Rotterdam-Zuid verheft zich het
bronzen beeld Il grande miracolo, ook wel Gevallen Ruiter genoemd.
Aanvankelijk stond dit werk van de Italiaan Marino Marini op een
bescheiden sokkel in de open ruimte, op de grens van bebouwing en
polderland. Sinds 1988 staat het, na een aantal keren vanwege
stadsuitbreidingen te zijn verplaatst, op een pleintje tegenover de plek
waar het werd onthuld, ter hoogte van de Mijnsherenlaan. Om het beeld
niet helemaal te laten wegzinken in de drukke verkeersomgeving ontwierp
architect Maarten Struys bij deze gelegenheid een setting voor het
kunstwerk, bestaande uit een anderhalve meter hoge sokkel en twee
rechthoekige wanden waarin vijf doorgangen zijn uitgespaard. Nu steekt
het donkere brons van het beeld als een kalligrafisch teken af tegen het
wit van de betonnen zetstukken.
Il grande miracolo stelt een ruiter op een steigerend of vallend paard
voor. De omhoog reikende hals van het paard met het wegdraaidende hoofd
accentueren de verticale beweging, waarbij de ruiter van de rug van het
paard af dreigt te glijden. Paard en ruiter zijn niet realistisch
weergegeven maar teruggebracht tot rudimentaire vormen. Details zijn
weggelaten of vervormd; de benen van het paard zijn tot machteloze
stompjes gereduceerd, de ogen zijn groot en hol en de ruiter is nog
slechts een klein poppetje. Het onregelmatige oppervlak van de bronzen
huid vertoont duidelijke sporen van bewerking die de contouren van het
beeld ritmisch volgen en versterken. De houding van paard en ruiter, de
expressionistische deformatie en de materiaalbehandeling roepen een
gevoel van onmacht en verlies van controle op.
Het Comité oprichting Pleinweg-gedenkteken zag het beeld in 1955 op de
eerste overzichtstentoonstelling van Marini in Nederland in Museum
Boymans. Het leek haar een passend, modern monument om het drama te
herdenken dat zich op 12 maart 1945 aan de Pleinweg voltrok: als
represaille voor de moordaanslag op twee leden van de Sicherheitsdienst
werden daar twintig Nederlanders doodgeschoten.
Het duurde nog tot 1957 voor het geld en de toestemming voor de aankoop
van Marini’s beeld er waren. Vervolgens droeg het Comité de sculptuur
over aan de gemeente met het verzoek dit op het Zuidplein te plaatsen.
Men wilde echter ook op de fusilladeplaats zelf een herdenkingsmonument
realiseren. Cor van Kralingen kreeg hiertoe de opdracht en hij
vervaardigde een hardstenen beeld van een treurende vrouw. Beide beelden
werden op 3 mei 1958 onthuld door de zoon van een van de
gefusilleerden. Het publiek moest, net als vijf jaar eerder bij De
verwoeste stad van Zadkine, wennen aan de dramatische vormentaal van Il
grande miracolo. De zeggingskracht van het beeld won het echter van de
bezwaren. De ‘Vallende Ruiter’ werd niet alleen geaccepteerd, maar is
sinds 1986 zelfs geadopteerd door de openbare basisschool Dubbelspoor,
waar het deel uit maakt van educatieve projecten over thema’s als
gelijkheid en vrijheid. In kunsthistorisch opzicht slaat Il grande
miracolo een brug tussen het oorlogsmonument en het ongebonden, vrije
beeld. Het werd als autonoom kunstwerk gemaakt en kreeg pas later de
functie van herdenkingsmonument.
In het oeuvre van Marini is Il grande miracolo een van de laatste uit de
reeks ruiterbeelden waaraan hij in 1936 begon. Naast het vrouwelijk
naakt en het portret, is het ruiterbeeld een van zijn hoofdthema’s.
Marini combineert deze klassieke onderwerpen uit de traditie van de
westerse beeldhouwkunst met de vormentaal van de Etruskische
grafsculptuur, die voor hem een belangrijke bron van inspiratie is
geweest. Naarmate de internationale spanningen en de oorlogsdreiging
eind jaren dertig toenamen, groeide ook de onrust in het werk van
Marini. De benadering van het thema van de ruiter werd subjectiever, de
uitvoering expressiever en de balans tussen ruiter en paard raakte
verstoord. Zetten paard en ruiter zich eerst nog schrap in hun
respectievelijke horizontale en verticale houding, in de jaren vijftig
maakte deze statische compositie plaats voor verwrongen, hoekige vormen.
Een groter contrast dan tussen de dramatische Il grande miracolo en de
eerste statische beelden uit de jaren dertig is nauwelijks denkbaar.
Eenzelfde ontwikkeling naar meer dynamiek is zichtbaar in het andere
werk van deze beeldhouwer, schilder en graficus. Met name in de
portretten waarmee hij al in 1927 begon. In de jaren dertig doen deze
nog denken aan anonieme beeltenissen uit ver vervlogen tijden, in de
jaren veertig en daarna komt de nadruk te liggen op de persoonlijkheid
van de geportretteerde. Statische naaktfiguren veranderen gaandeweg in
danseressen en acrobaten. Ook hier speelt een ontwikkeling van evenwicht
naar beweging, vereenvoudiging van vorm en onregelmatige textuur een
steeds grotere rol.
Door deze ontwikkeling werd het werk van Marini op brede schaal
gewaardeerd, zoals blijkt uit zijn deelname aan de Documenta in Kassel
in 1955, aankopen door het Kröller-Müller Museum en de tentoonstelling
in Museum Boijmans, dat zelf ook een ruiterbeeld van de kunstenaar
kocht.
Ineke Voorsteegh
literatuur:
Abelman, H. (red.), De Vallende Ruiter: Marino Marini, Deelgemeente Charlois, Rotterdam 1995
Gasser, M., ‘Marino Marini als Porträtist’, Du, 23. Jahrgang Oktober 1963, Verlag Conzett & Huber Zurich
Hammacher, A. M., Marino Marini, catalogus Museum Boymans Rotterdam 1955
Hunter, S., Marino Marini: The Sculpture, New York 1993
Nieuwenhuis-Verveen, G. W. J., Standbeelden, monumenten en sculpturen in Rotterdam, Gemeentelijke Archiefdienst-Rotterdam 1972
Voorsteegh, I (red.) catalogus De torso in Nederland, Dordrechts Museum 1991
Wagenaar, A. en P. Rook, Van De Zweth tot Zadkine, monumenten in
Rotterdam die herinneren aan de jaren 1940-1945, CBK, Rotterdam 1991
Archief
Op 3 mei 1958 werd het beeld onthuld door de toen 12-jarige Frans Lam, zoon van één van de gevallenen.
Het monument 'De Vallende Ruiter' in Rotterdam is opgericht ter nagedachtenis aan de veertig mannen die op 12 maart 1945 door de bezetter werden...
Na de onthuling in 1958 is het beeld vele malen verplaatst. De oorspronkelijke plaats was naast de Groote schouwburg van Sybold van Ravensteyn (nu theater Zuidplein).
Daarna heeft het beeld op het Zuidplein gestaan, naast expositieruimte Kunstzaal Zuid (later verenigingsgebouw Blokhut). In 1987 zijn er woningen en...
Marini en Manzù in Beelden aan Zee
Twee kunstenaars die, in onderlinge rivaliteit en via verschillende wegen, de klassieke figuratieve beeldhouwkunst tot een verrassend nieuw...


