Mario & Antonio
Het Beeld
In de Kromme Elleboog, een zijstraat van de Witte de Withstraat, zijn
aan de gevel van een hoekpand de portretbustes van twee mannenfiguren
opgehangen. De beelden zijn gemaakt door John Ahearn, met assistentie
van Rigoberto Torres. De afgebeelde mannen kijken elkaar aan. De éne is
wat jonger, blank en gehuld in een leren jasje, de ander is donker van
huidskleur, in werkoverall en met een straatbezem van wilgentenen in de
hand. De beelden zijn zeer gedetailleerd. Er is niet alleen gelet op
de uiterlijke kenmerken van de geportretteerden maar ook op de
anatomische vorm en de tint van het gezicht. Ook in de pose en in de
toepassing van attributen en kleding die de figuren dragen wordt de
werkelijkheid zo dicht mogelijk benaderd.
De personen die voor de beelden hebben geposeerd, zijn twee bewoners van
de wijk, “Mario en Antonio”. Hun hoofden en een deel van hun
bovenlichamen zijn afgegoten in gips. Daarna zijn met de mallen
levensechte beelden van polyester vervaardigd, die door Ahearn zijn
beschilderd. De achterliggende gedachte van de twee gevelbeelden is dat
Ahearn het belangrijk vond om nu eens niet publieke personen – als
bekende zeehelden, geleerden, dichters, weldoeners, staatshoofden,
bestuurders en politici – te portretteren. Hij wilde juist ‘onbekende’
mensen vereeuwigen: de gewone man uit de straat. Het gaat hier niet om
stereotypen, maar om individuen, die je op straat tegenkomt.
Ahearn bracht met zijn replica’s van mensen de kunst buiten de muren van
het museum. Hij wilde daarmee een nieuw engagement aangaan, het publiek
centraal stellen en inzoomen op sociaal-maatschappelijke thema’s. Door
twee onbekende personen als model te nemen en levensecht in de openbare
ruimte te exposeren, wilde hij de identiteit van die personen
versterken en daardoor de sociale samenhang in de wijk vergroten.
Specificaties
| jaartal vervaardiging | 1991 |
| locatie sinds | 1991, Witte de Withstraat, Cool, Centrum (in depot, nieuwe locatie wordt gezocht) |
| stroming | Sociaal geëngageerd realisme |
| afmetingen beeld (hxbxl) in cm | 100 x 180 x 50 |
| materiaal | Polyesterhars, verf en lak |
De Plek
De kunstenaar John Ahearn had, in samenwerking met Rigoberto Torres, in
de jaren tachtig in de New Yorkse wijk de Bronx veel afgietsels gemaakt
van buurtbewoners en die in de wijk tentoongesteld. Zo ontstond er een
South Bronx Hall of Fame, een verzameling afgietsels van wijkbewoners .
Uit de verzameling afgietsels werd een selectie gemaakt, die in 1991 en
1992 in verschillende kunstcentra over de hele wereld werden
geëxposeerd. De kunstenaar reisde met zijn beelden mee en maakte weer
nieuwe afgietsels van mensen die hij onderweg ontmoette. Van 7 december
1991 tot 26 januari 1992 was de expositie te zien in het Rotterdamse
Kunstcentrum Witte de With.
Gedurende de expositie werd er een werkperiode van ruim een maand
ingesteld, waarin Ahearn ook Rotterdammers tot onderwerp van zijn
kunstwerken maakte. In samenwerking met de buurtorganisaties, die
hielpen met het selecteren van bewoners van de wijk, werd in buurthuis
Cool een werkplaats ingericht, waar bewoners hun portret in polyester
konden laten afgieten. Uit dit project resulteren niet alleen de
gevelbeelden van Mario en Antonio, maar ook de portretten die aan een
gevel in de Boomgaardstraat hangen en het ensemble van drie kindertjes
onder een paraplu in de buurt van een school in de Kortenaerstraat zijn
destijds gemaakt.
Ahearn vond het noodzakelijk om naast de in Witte de With geëxposeerde
portretten uit de South Bronx Hall of Fame ook Rotterdammers af te
gieten. Door alleen de New Yorkse portretten te tonen, vond hij, zou er
een naar plaatselijke maatstaven exotisch beeld ontstaan. Dat werk zou
hier een andere impact hebben gehad dan in de Bronx. Door Rotterdammers
uit te kiezen, betrok hij ze zowel bij zijn project als bij de
tentoonstelling in het Kunstcentrum.
Het Essay
Trotse, zelfbewuste naties hebben sinds lang de gewoonte personen met
een uitzonderlijke staat van dienst of van buitengewoon maatschappelijk
belang te eren met een gedenkteken dat hun beeltenis draagt. Net als in
Rotterdam, waar koningin Wilhelmina en Erasmus zijn vereeuwigd in de
beelden van Charlotte van Pallandt en Hendrick de Keyser, kennen de
Amerikanen de traditie hun presidenten, astronauten en sporthelden te
vereeuwigen in steen of brons. John Ahearn en Rigoberto Torres zetten
daar een sculptuur tegenover die de gewone man op een voetstuk plaatst.
Vanaf 1980 maken zij portretten van bewoners in de Bronx. Met hun
portretten van deze bevolking van deze New Yorkse achterstandswijk
reikten ze de Amerikaanse kunstwereld een nieuw onderwerp aan. De
kwestie van de emancipatie van de gekleurde onderklasse, waar Amerika
tot op heden mee worstelt, werd een thema dat nu ook aan de wanden van
de galeries en musea zichtbaar werd.
John Ahearn was in 1977 een van de oprichters van Collaborative Projocts
(CoLab), een kunstenaarscollectief dat in gekraakte of tijdelijk
gehuurde panden tentoonstellingen maakte omdat de mogelijkheden voor
jonge kunstenaars om door te breken op de gevestigde kunstmarkt van New
York buitengewoon moeilijk waren. Daarnaast leefde onder hen het idee
dat de kunst en het ‘echte’ leven erg ver van elkaar verwijderd raakten.
Het was tijd voor een nieuw engagement van de kunst met het leven
buiten het museum, met sociaal-maatschappelijke thema’s, en met het
publiek. Kunstenaars namen het heft in eigen handen en verzorgden zelf
de presentatie en de verspreiding hun werk. Het directe contact met het
publiek stond daarbij centraal, zonder tussenkomst van galeriehouder of
curator. Zo organiseerde Ahearn bijvoorbeeld, samen met onder anderen
Tom Otterness, in 1980 de fameuze Times Square Show, in een leegstaand
gebouw aan het gelijknamige plein. Een nieuwe generatie kunstenaars
vestigde daar definitief haar naam met graffiti-kunst en figuratief werk
in een vaak geleende vormentaal. Ahearns wens om een directe band met
het publiek aan te gaan, bij voorkeur een publiek dat weinig toegang had
tot de officiële kunstwereld, leidde ertoe dat hij kort na de Times
Square Show een atelier betrok in de Bronx. Daar ontmoette hij de negen
jaar jongere Rigoberto Torres. De van oorsprong Portoricaanse Torres
werkte in een fabriek waar religieuze beelden werden afgegoten. Hij
maakte Ahearn wegwijs in de buurt, en leerde hem de techniek van het
afgieten. Samen nodigden ze buren, vrienden en kennissen uit de buurt
van hun atelier uit om zich door hen te laten portretteren in
afgietsels. Het maken van de mal was vaak een hele happening: het
gebeurde op straat in overstaan van een toegestroomde menigte. Het model
kreeg twee rietjes in zijn of haar neus om te kunnen ademhalen, waarna
het gehele hoofd en bovenlichaam werden ingezwachteld met gipsverband.
Na twintig minuten was de mal hard, en kon het model worden bevrijd. De
polyester afgietsels van de mal werden vervolgens beschilderd. Ahearn en
Torres hingen het eindresultaat aan de buitenmuur van het atelier. Alle
geportretteerden kregen een afgietsel van zichzelf, en het tweede
exemplaar was voor de kunstenaars.
De reeks portretten groeide in de loop van de jaren en kreeg de bijnaam
South Bronx Hall of Fame. Je zou schrijnende portretten verwachten van
mensen de door het harde leven getekend zijn, maar dat is niet zo. De
beelden zijn tableaux vivants vol levenslust, van momenten die de kern
raken van de menselijke verhoudingen: moeders en dochters de elkaar
omhelzen, spelende en lachende kinderen, vrolijke arbeiders en trotse
vechtersbazen.
Sommigen houden de attributen van hun dagelijkse bezigheden vast,
anderen staan in een voor hen karakteristiek pose. De figuren zijn
expressionistisch beschilderd in vaak felle kleuren, waarbij hun
(meestal) donkere huidskleur prachtig opgloeit. De beelden hebben een
sterke impact omdat de toeschouwer weet dat deze mensen echt bestaan.
Niet de vorm of de uitvoering van de replica’s vraagt de aandacht, maar
de originelen.
South Bronx Hall of Fame was ook de titel van een
overzichtstentoonstelling van tien jaar sculpturen van Torres en Ahearn.
De tentoonstelling maakte in 1990 en 1991 een succesvolle tournee lange
een aantal Amerikaanse musea. Chris Dercon, toenmalig directeur van
kunstcentrum Witte de With, haalde de tentoonstelling naar Rotterdam en
bood de kunstenaars een werkperiode aan. Oorspronkelijk hielden ze
atelier in Witte de With, tot ze op een avond in de kroeg de buurtwerker
Ed de Myer tegenkwamen. Hij nodigde hen uit om in het lokale
buurtcentrum te komen werken. En daar gebeurde precies hetzelfde als in
de South Bronx: een aantal avonden verzamelde zich een groot aantal
buurtbewoners van wie mallen werden gemaakt. Alle modellen kregen hun
portret mee naar huis. Ahearn en Torres hebben uiteindelijk drie
wandreliëfs in de buurt achtergelaten op plaatsen de iets met de
gemeenschapszin van de buurt te maken hebben of hadden. Het reliëf Mario
en Antonio - aan een zijgevel op de hoek Witte deWithstraat/Kromme
Elleboog – is het meest tekende voorbeeld van de sociale zienswijze die
de kunstenaars ook in Rotterdam hebben toegepast. De omgeving van de
Witte de Withstraat, de wijk Cool, is een buurt waarin veel
verschillende culturen samenleven en waar begin jaren negentig veel
werkloosheid en armoede was. Ten tijde van het bezoek van Ahearn en
Torres was net een project gestart waarbij bewoners tegen een kleine
vergoeding veegploegen vormden om de buurt schoon te houden. Ahearn en
Torres waren gefascineerd door deze - succesvolle - vorm van
werkvoorziening en zelfzorg en hebben een van de leden van de veegploeg
vereeuwigd. Naast hem staat een jongen die toen nog een schoolverlater
zonder werk was. De veger lijkt de jonge wat vermanend aan te kijken,
alsof hij hem wil aansporen om ook de handen uit de mouwen te steken en
aan het werk te gaan.
Ahearn en Torres werken inmiddels niet altijd meer samen. Torres in in
de Bronx blijven wonen, Ahearn is verhuisd. Toch blijven ze voor altijd
‘de kunstenaars van de South Bronx Hall of Fame’. Het is hun levenswerk
geworden, en nog steeds komen er beelden bij.
Mariette Dölle
Kramer, J., Whose Art Is It?, Durham & London 1994. / Exhib. cat.
South Bronx Hall of Fame: John Ahearn and Rigoberto Torres,
Houston/Rotterdam (Contemporary Arts Museum / Witte de With) 1991.
Archief
MARIO en ANTONIO verwijderd van gevel
Het wandrelief van Ahearn en Torres is vanwege renovatie van de gevel verwijderd van het betreffende pand in de Kromme Elleboog waar dit...


