Santa Claus
Het Essay
Noot van de redactie: Onderstaand essay van Pol van
Dinsbergen werd geschreven op het moment dat het schetsontwerp bekend
was en er nog sprake was van een rode Santa met groene 'kerstboom', ipv
de zwarte kerstman die McCarthy uiteindelijk voor Rotterdam maakte.
Het werk van de Amerikaanse kunstenaar Paul McCarthy is vaak
afstotelijk, maar door de goorheid schemert een grand guignol-humor.
McCarthy toont wat de cultuur doorgaans verdringt: uitwerpselen,
allerlei smerige vloeistoffen, perverse seksualiteit – en dit alles op
een dusdanige wijze geënsceneerd dat de kijker heen en weer wordt
geslingerd tussen afkeer en een bevrijdende lach. McCarthy begon in de
late jaren zestig met performances. Deze kwamen vaak voort uit de action
painting van Jackson Pollock, maar vormden er misschien nog wel meer
een commentaar op: een naakte McCarthy bekladde bijvoorbeeld op een wat
agressieve manier een muur met verf, waardoor de daad van het schilderen
iets van kinderlijk vandalisme kreeg, als een vulgaire schanddaad.
Terwijl Pollock door velen als heroïsch modern kunstenaar werd vereerd,
wees McCarthy aldus op het regressieve van diens druip- en spattechniek.
Abstract-expressionisme was bij McCarthy geen heroïsche zelfexpressie,
maar een vorm van bevuiling en vernieling.
In de performancekunst van rond 1970 ging het er hard aan toe:
kunstenaars als Chris Burden en Marina Abramovic gebruikten zichzelf als
proefkonijnen in experimenten die zowel psychisch als fysiek zware
beproevingen waren, en die soms met zelfverwondingen gepaard gingen.
McCarthy kwam in die tijd echter tot de conclusie dat hij niet die mate
van echtheid nastreefde: hij vond ketchup een heel goed substituut voor
bloed. Het ging hem niet om het verleggen van zijn grenzen door extreme
condities te scheppen, maar om performances die psychologisch
confronterend waren. Hij ontwikkelde daarvoor een geheel eigen
benadering, waarbij met ketchup, mayonaise en andere voedingsmiddelen
een vaak zeer smerige lichamelijke aanblik werd gecreëerd – in
combinatie met nogal onfrisse handelingen. Een vroeg voorbeeld van deze
benadering is de performance Hot Dog uit 1974, waarbij een naakte
McCarthy onder meer zijn penis in een broodje stak, ketchup dronk en hot
dogs in zijn mond propte, die hij vervolgens dichtbond, zodat braak- en
verstikkingsgevaar optrad.
McCarthy begon in de vroege jaren zeventig ook met het vastleggen van
zijn performances op video. In 1984 stopte hij met deze optredens voor
publiek; wel bleef hij video’s maken op basis van performances. Die
video’s worden vaak getoond in installaties: de sets van zijn
performances. Sommige van deze werken zijn ontstaan in samenwerking met
Mike Kelley, zoals de video-installatie Heidi uit 1992. Hierin wordt het
geïdealiseerde beeld dat in de roman Heidi van het simpele, zuivere
leven in de Alpen wordt geschetst, geconfronteerd met McCarthiaanse
taferelen die zich afspelen in een decor dat een kruising is van een
Alpenchalet en de American Bar van Adolf Loos in Wenen. In Heidi en in
vrijwel al McCarthy’s performances en video’s vanaf het midden van de
jaren zeventig werkt McCarthy met feestmaskers, rubberen protheses en
poppen. Dit alles hoort bij McCarthy’s benadering van de
performancekunst: het gaat niet om de kunstenaar zelf, zoals bij de
meeste andere ‘performers’, maar door met een masker op te treden wordt
McCarthy vooral een groteske Everyman, waarvan iedereen hoopt er niet op
te lijken.
In de jaren negentig had McCarthy voor het eerst internationaal succes,
mede door zijn samenwerkingsprojecten met de jongere Mike Kelley. Veel
aandacht kregen ook de figuratieve beelden die McCarthy in dat decennium
produceerde. Soms bewegen ze, zoals de audio animatronics in
Disneyland: Forest (1991-92) is een decor van een bos waarin een man met
omlaaggezakte broek een boom neukt, terwijl een jongen het doet met een
gat in de grond. Cultural Gothic (1992) is een beeld van een jongen die
een geit neemt, terwijl pa vaderlijk zijn handen op de schouders van
het kind legt. Uit dergelijke werken blijkt dat McCarthy minder de spot
drijft met de sublieme pretenties van de high art dan met de commerciële
massacultuur waarmee hij, zoals iedere Amerikaan, dagelijks wordt
geconfronteerd – en dan vooral met de Disney-variant daarvan, die een
smetvrije, vrolijke schijnwereld schept. McCarthy is het duistere
spiegelbeeld van kindervriend Disney. Alles wat uit de blije wereld van
Disney en consorten is geweerd, toont McCarthy in overvloed:
seksualiteit, lichamelijkheid, het ‘lage’ en abjecte. Hij maakt gretig
gebruik van hetgeen waartegen hij zich verzet, zoals de beeldtaal van
tekenfilms en pretparken. De pop-achtige sculptuur Spaghetti Man uit
1993 is een figuur met een soort cartoon-konijnenkop en een ellenlange
sliertpenis; de Apple Heads uit 1994 hebben eveneens cartooneske hoofden
(nu in de vorm van enorme appels), en uitvergrote geslachtsdelen. Het
zijn werken die de cuteness van tekenfilmfiguren ondermijnen, maar er
toch ook van profiteren.
Iets soortgelijks geldt voor McCarthy’s project voor Rotterdam: een fors
beeld van een olijke kerstman, alias Santa Claus. Ook deze in december
alomtegenwoordige kitschfiguur krijgt een McCarthy-behandeling: hij
draagt een grote kerstklok en torst een langwerpige groene vorm, waarin
met veel goede wil een geabstraheerde kerstboom te herkennen is, maar
die toch bovenal een flinke butt plug blijkt te zijn. In Nederland wordt
door kinderen niet in de kerstman geloofd, maar we kennen hem wel als
icoon van een Amerikaanse cultuurindustrie die hier ook steeds verder
door dringt. In deze dubbelzinnige Santa Claus spreekt bovenal een vorm
van zelfkritiek op deze cultuurindustrie. In de Westerse samenleving,
waar de kerstman vooral een instrument is geworden van de commercie,
biedt het cultuurrelativisme van McCarthy een verfrissend tegengeluid.
In het beeld onthult McCarthy de valsheid van de commercie en
ontluistert hij een dominant aspect van de Amerikaanse cultuur.
Misschien is het geen toeval dat McCarthy’s Santa Claus herinneringen
oproept aan de episode van Jiskefet’s Debiteuren Crediteuren, waarin
Sinterklaas zich aan een van kantoorklerken vergrijpt. Hoewel McCarthy
door de Nederlandse kunstwereld vrijwel volledig is genegeerd, past zijn
benadering bij dit soort humor (men denke bijvoorbeeld aan de poep- en
piesgrappen van Wim T. Schippers). Red Santa werkt met eenzelfde soort
platheid, maar de kwaliteit van het werk schuilt in de subtiele
subversiteit die ook bij Schippers te vinden is. De Nederlandse publieke
ruimte lijkt rijp voor Paul McCarthy.
Pol van Dinsbergen
Literatuur
Ralph Rugoff, Kristine Stiles, Giacanto Di Pietrantonio: Paul McCarthy, Londen 1996.
Tent. cat. Mike Kelley and Paul McCarthy: The Collaborative Works, Toronto 2000.





