The long thin yellow legs of architecture
Het Beeld
In 1988 ontwierp Coop Himmelb(l)au een deconstructivistische sculptuur
met de titel “De lange, dunne, gele benen van de architectuur”. De
schets voor het beeld is, net als bij de architectuur van Coop
Himmelb(l)au gebeurt, ontstaan “… in één kort moment tijdens het
ontwerpproces – een moment dat zo lang mogelijk wordt uitgesteld. Er
wordt uitvoerig gesproken over functie, materialen, licht en sfeer van
de te ontwerpen ruimte of constructie. Tijdens deze voorbereidingen
wordt zo min mogelijk gevisualiseerd, om daarna in een moment van
inspiratie tot een ontwerp te komen; een nerveuze krabbel waar voor de
buitenstaander nog niet veel uit valt op te maken” [Uit: Jan van
Adrichem, Karel Schampers, Reyn van der Lugt (red.), Beelden in de stad,
Utrecht 1988, p.64].
De intuïtieve werkwijze van Coop Himmelb(l)au resulteert in expressieve
ontwerpen voor gebouwen en sculpturen, waaronder het voor Rotterdam
vervaardigde beeld “De lange, dunne, gele benen van de architectuur”.
Het is een open constructie van plaatstaal en balken. De uit de
functionele bouw afkomstige materialen staan in contrast met de
uitwerking, die nadrukkelijk niet-functioneel is. Door deze manier van
werken suggereren de architecten een lichtheid van het beeld die niet te
rijmen valt met het formaat. Hieraan draagt ook het kleurgebruik bij:
de zware, stalen balken en platen zijn grotendeels geverfd in lichte
kleuren als geel, wit en azuurblauw.
Zelf nemen de leden van Coop Himmelb(l)au het resultaat van beschreven
ontwerpsessies uiterst serieus. De tweedimensionale notities worden
uitvergroot en rechtstreeks vertaald in driedimensionale modellen, die
als basis dienen voor de technische uitvoering. Zelfs de kleinste
details in de krabbel worden serieus genomen. Des te opmerkelijker is
het dat de zwarte arceringen op het onderste stuk plaatmetaal, bij de
laatste overschilderbeurt niet zijn teruggezet.
Specificaties
| jaartal vervaardiging | 1988 |
| locatie sinds | 1988, Vasteland, Het nieuwe werk, Centrum |
| stroming | Deconstructivisme |
| afmetingen beeld (hxbxl) in cm | Hoogte 1200 cm |
| materiaal | Staal (UNP, plaat, buis), verf en teer |
De Plek
Het deconstructivistische object ‘De lange dunne gele benen van de
architectuur’ van Coop Himmelb(l)au staat sinds 1988 op de hoek van het
Vasteland met de Scheepstimmermanslaan. Het is ontstaan in het kader van
de beeldenmanifestatie ‘Beelden in de stad’, die deel uitmaakte van de
brede culturele manifestatie ‘Rotterdam ’88: De stad als podium’. De
organisatie van dit culturele evenement lag in handen van de Stichting
Rotterdam ’88, Museum Boijmans Van Beuningen, het Centrum Beeldende
Kunst en de gemeentelijke diensten Gemeentewerken en Stadsontwikkeling.
Een twaalftal kunstenaars en architecten werd benaderd met de vraag een
object te ontwerpen voor een specifieke locatie in de openbare ruimte.
Dit resulteerde in een tijdelijke beeldenroute langs de ‘culturele as’
van Rotterdam, de denkbeeldige as tussen het Centraal Station en de Kop
van Zuid. Dat de objecten een ‘dialoog met de stad’ moesten aangaan was
onderdeel van de opdrachtformulering. Om die reden werden meerdere
architecten benaderd, waaronder Coop Himmelb(l)au. Men vond dat de leden
van Coop Himmelb(l)au in hun beeldtaal blijk gaven van een ‘sterk
sculpturaal bewustzijn’. Prix en Swiczinsky werden gezien als “…
architecten van wie de architecturale expressie als individuele
sculptuur kan worden beschouwd” [Uit: Jan van Adrichem, Karel Schampers,
Reyn van der Lugt (red.), Beelden in de stad, Utrecht 1988, p.8].
De locatie aan de Westersingel die de organisatoren oorspronkelijk voor
het beeld van Coop Himmelb(l)au op het oog hadden, bleek na het ontstaan
van het ontwerp te krap. Er werd uitgeweken naar het Vasteland, een
knooppunt in de stedelijke structuur, dat door haar uitstraling en het
voorbijrazende verkeer door de architecten zeer geschikt werd bevonden.
Het Essay
Het beeld De lange, dunne gele benen van de architectuur is op het
eerste gezicht niet meer dan een merkwaardig staketsel van stalen platen
en balken van diverse afmetingen en vormen. Het kleurgebruik, variërend
van geel, wit en licht azuur tot ongelakt metaal, is vrij gedempt.
Rijdend over de Westzeedijk of de Boompjes is het werk een duidelijk
herkenningspunt.
Het architectenduo Coop Himmelb(l)au, bestaande uit Wolf Prix en Helmut
Swiczinsky, werd in 1987 uitgenodigd deel te nemen aan het project
Beelden in de stad. Als onderdeel van de manifestatie De stad als Podium
zou een serie beelden een verbinding leggen tussen het Centraal Station
en de Veerhaven. Verschillende internationaal bekende kunstenaars en
architecten werden gevraagd een bijdrage te leveren met een al dan niet
tijdelijk beeld. De sculptuur van Coop Himmelb(l)au is een van de
weinige werken van het project Beelden in de stad die een permanente
plek in Rotterdam hebben verkregen. Oorspronkelijk was het bedoeld voor
een locatie bij café ‘De Unie’ aan de Westersingel. Het ontwerp was
echter zo groot dat naar een andere plek moest worden gezocht. Die werd
gevonden op de hoek van het Vasteland en de Scheepstimmermanlaan.
Dat de makers van De lange, dunne gele benen van de architectuur van
huis uit architecten zijn, vormde voor de opdrachtgevers geen bezwaar;
volgens hen gaf het duo "in hun beeldtaal blijk van een sculpturaal
bewustzijn". Het open karakter van hun gebouwen benadrukt immers de
ruimtelijkheid. Dit valt goed af te lezen aan een paviljoen van het
Groninger Museum dat eveneens door de twee Weense architecten is
ontworpen. Het paviljoen, dat oorspronkelijk was bedoeld voor de oude
kunst, ziet er uit als een kaartenhuis. Schots en scheef staande stalen
platen vormen een gevelwand, waar overal balken uitsteken. Het paviljoen
opent zich en daardoor omarmt het gebouw zelf de ruimte. Het gebouw is
hier niet langer een ‘doos’ die in de ruimte staat, maar haast een open
constructie. Hetzelfde geldt in nog veel sterkere mate voor het
Rotterdamse beeld.
Door hun grillig ogende gebouwen en beelden worden Prix en Swiczinsky
gerekend tot de stroming van het deconstructivisme, die vooral in de
jaren tachtig furore maakte. Typerend voor de deconstructivistische
architectuur is dat traditioneel constructieve elementen als vloer,
plafond, wand en raam worden losgemaakt uit hun gebruikelijke samenhang
en meer vrij ten opzichte van elkaar worden geplaatst. Daardoor ontstaat
een expressieve, plastische architectuur.
De wijze waarop De lange, dunne gele benen van de architectuur voor
Rotterdam is ontstaan, is vergelijkbaar met de manier waarop bij Coop
Himmelb(l)au een nieuw gebouw ontwerpt. In eerste instantie wisselen
Prix en Swiczinsky alleen gedachten uit en wordt er nog niets
gevisualiseerd. In een paar minuten zetten ze met flinke krassen hun
ideeën op papier. Zaken als functionaliteit, kosten en materiaal zijn
dan nog niet aan de orde; de architecten concentreren zich uitsluitend
op de bevrijding van de ruimte en streven daarbij naar een open
architectuur. Het duo vergelijkt deze manier van werken ook wel met de
methode van kunstenaars als Arnulf Rainer en Jackson Pollock; die
eveneens op een impulsieve manier te werk gaan. Pas later wordt het
ontwerp van Coop Himmelb(l)au meer concreet en brengen ze op basis van
de eerste schetsen meer structuur en detail aan. Tijdens dit proces
worden ook meer praktische factoren meegenomen.
De eerste jaren na hun oprichting in 1968 beperkten Prix en Swiczinsky
zich vooral tot performances, waarmee ze de psychische en fysieke
kwaliteiten van architectuur probeerden te verduidelijken. Vanaf 1983
concentreerden zij zich op het bouwen zelf. Daarin streven zij een
andere dan de traditionele ruimtebeleving na. Coop Himmelb(l)au, de naam
zegt het eigenlijk al, wil gezamenlijk (coop verwijst daarnaar) een
vrije en open (daar staat het himmelb(l)au voor) architectuur
realiseren. Dat het duo zich later vooral met het bouwen zelf bezig
houdt, wil niet zeggen dat zij geen uitstapjes meer maken naar andere
disciplines. Het beeld in Rotterdam is daarvan een voorbeeld. Volgens
het duo weerspiegelt hun werk de kenmerken van deze tijd, ook die is
immers uitermate dynamisch en gefragmenteerd. Deze twee aspecten zijn
tevens terug te vinden in de omgeving waarin hun sculptuur in Rotterdam
is geplaatst. Op het kruispunt van de Westzeedijk en het Vasteland
zorgen tramleidingen voor een wirwar aan lijnen in de lucht. De locatie
is niet alleen een kruispunt van wegen en verkeersstromen, ook het
stedebouwkundig beeld varieert sterk. De uiteindelijk gekozen locatie
sluit dus goed aan bij de oorspronkelijke intentie van beeld en makers.
Sandra Spijkerman
Literatuurverwijzingen:
Bart Lootsma, ‘Architectuur moet branden. Coop Himmelblau en het expressionisme’ in De Architect, juni 1990, pp.37 –47.
Jan van Adrichem, Karel Schampers, Reyn van der Lugt, Beelden in de stad
Rotterdam. De stad als podium, Veen/Reflex, Utrecht, 1988.
Diverse krantenartikelen.


