The long thin yellow legs of architecture

Vasteland, fotografie: Jannes Linders 2011

Het Beeld

De intuïtieve werkwijze van Coop Himmelb(l)au resulteert in expressieve ontwerpen voor gebouwen en sculpturen, waaronder het voor Rotterdam vervaardigde beeld “De lange, dunne, gele benen van de architectuur”. Het is een open constructie van plaatstaal en balken. De uit de functionele bouw afkomstige materialen staan in contrast met de uitwerking, die nadrukkelijk niet-functioneel is. Door deze manier van werken suggereren de architecten een lichtheid van het beeld die niet te rijmen valt met het formaat. Hieraan draagt ook het kleurgebruik bij: de zware, stalen balken en platen zijn grotendeels geverfd in lichte kleuren als geel, wit en azuurblauw.

Zelf nemen de leden van Coop Himmelb(l)au het resultaat van beschreven ontwerpsessies uiterst serieus. De tweedimensionale notities worden uitvergroot en rechtstreeks vertaald in driedimensionale modellen, die als basis dienen voor de technische uitvoering. Zelfs de kleinste details in de krabbel worden serieus genomen. Des te opmerkelijker is het dat de zwarte arceringen op het onderste stuk plaatmetaal, bij de laatste overschilderbeurt niet zijn teruggezet.

Specificaties

jaartal vervaardiging 1988
locatie sinds 1988, Vasteland, Het nieuwe werk, Centrum
stroming Deconstructivisme
afmetingen beeld (hxbxl) in cm Hoogte 1200 cm
materiaal Staal (UNP, plaat, buis), verf en teer

De Plek

Een twaalftal kunstenaars en architecten werd benaderd met de vraag een object te ontwerpen voor een specifieke locatie in de openbare ruimte. Dit resulteerde in een tijdelijke beeldenroute langs de ‘culturele as’ van Rotterdam, de denkbeeldige as tussen het Centraal Station en de Kop van Zuid. Dat de objecten een ‘dialoog met de stad’ moesten aangaan was onderdeel van de opdrachtformulering. Om die reden werden meerdere architecten benaderd, waaronder Coop Himmelb(l)au. Men vond dat de leden van Coop Himmelb(l)au in hun beeldtaal blijk gaven van een ‘sterk sculpturaal bewustzijn’. Prix en Swiczinsky werden gezien als “… architecten van wie de architecturale expressie als individuele sculptuur kan worden beschouwd” [Uit: Jan van Adrichem, Karel Schampers, Reyn van der Lugt (red.), Beelden in de stad, Utrecht 1988, p.8].

De locatie aan de Westersingel die de organisatoren oorspronkelijk voor het beeld van Coop Himmelb(l)au op het oog hadden, bleek na het ontstaan van het ontwerp te krap. Er werd uitgeweken naar het Vasteland, een knooppunt in de stedelijke structuur, dat door haar uitstraling en het voorbijrazende verkeer door de architecten zeer geschikt werd bevonden.

Het Essay

Dat de makers van De lange, dunne gele benen van de architectuur van huis uit architecten zijn, vormde voor de opdrachtgevers geen bezwaar; volgens hen gaf het duo "in hun beeldtaal blijk van een sculpturaal bewustzijn". Het open karakter van hun gebouwen benadrukt immers de ruimtelijkheid. Dit valt goed af te lezen aan een paviljoen van het Groninger Museum dat eveneens door de twee Weense architecten is ontworpen. Het paviljoen, dat oorspronkelijk was bedoeld voor de oude kunst, ziet er uit als een kaartenhuis. Schots en scheef staande stalen platen vormen een gevelwand, waar overal balken uitsteken. Het paviljoen opent zich en daardoor omarmt het gebouw zelf de ruimte. Het gebouw is hier niet langer een ‘doos’ die in de ruimte staat, maar haast een open constructie. Hetzelfde geldt in nog veel sterkere mate voor het Rotterdamse beeld.
Door hun grillig ogende gebouwen en beelden worden Prix en Swiczinsky gerekend tot de stroming van het deconstructivisme, die vooral in de jaren tachtig furore maakte. Typerend voor de deconstructivistische architectuur is dat traditioneel constructieve elementen als vloer, plafond, wand en raam worden losgemaakt uit hun gebruikelijke samenhang en meer vrij ten opzichte van elkaar worden geplaatst. Daardoor ontstaat een expressieve, plastische architectuur.
De wijze waarop De lange, dunne gele benen van de architectuur voor Rotterdam is ontstaan, is vergelijkbaar met de manier waarop bij Coop Himmelb(l)au een nieuw gebouw ontwerpt. In eerste instantie wisselen Prix en Swiczinsky alleen gedachten uit en wordt er nog niets gevisualiseerd. In een paar minuten zetten ze met flinke krassen hun ideeën op papier. Zaken als functionaliteit, kosten en materiaal zijn dan nog niet aan de orde; de architecten concentreren zich uitsluitend op de bevrijding van de ruimte en streven daarbij naar een open architectuur. Het duo vergelijkt deze manier van werken ook wel met de methode van kunstenaars als Arnulf Rainer en Jackson Pollock; die eveneens op een impulsieve manier te werk gaan. Pas later wordt het ontwerp van Coop Himmelb(l)au meer concreet en brengen ze op basis van de eerste schetsen meer structuur en detail aan. Tijdens dit proces worden ook meer praktische factoren meegenomen.
De eerste jaren na hun oprichting in 1968 beperkten Prix en Swiczinsky zich vooral tot performances, waarmee ze de psychische en fysieke kwaliteiten van architectuur probeerden te verduidelijken. Vanaf 1983 concentreerden zij zich op het bouwen zelf. Daarin streven zij een andere dan de traditionele ruimtebeleving na. Coop Himmelb(l)au, de naam zegt het eigenlijk al, wil gezamenlijk (coop verwijst daarnaar) een vrije en open (daar staat het himmelb(l)au voor) architectuur realiseren. Dat het duo zich later vooral met het bouwen zelf bezig houdt, wil niet zeggen dat zij geen uitstapjes meer maken naar andere disciplines. Het beeld in Rotterdam is daarvan een voorbeeld. Volgens het duo weerspiegelt hun werk de kenmerken van deze tijd, ook die is immers uitermate dynamisch en gefragmenteerd. Deze twee aspecten zijn tevens terug te vinden in de omgeving waarin hun sculptuur in Rotterdam is geplaatst. Op het kruispunt van de Westzeedijk en het Vasteland zorgen tramleidingen voor een wirwar aan lijnen in de lucht. De locatie is niet alleen een kruispunt van wegen en verkeersstromen, ook het stedebouwkundig beeld varieert sterk. De uiteindelijk gekozen locatie sluit dus goed aan bij de oorspronkelijke intentie van beeld en makers.

Sandra Spijkerman


Literatuurverwijzingen:
Bart Lootsma, ‘Architectuur moet branden. Coop Himmelblau en het expressionisme’ in De Architect, juni 1990, pp.37 –47.
Jan van Adrichem, Karel Schampers, Reyn van der Lugt, Beelden in de stad Rotterdam. De stad als podium, Veen/Reflex, Utrecht, 1988.
Diverse krantenartikelen.