Coolsingel
Coolsingel
'De Coolsingel is altijd het onvoorspelbare resultaat geweest van de confrontatie van onplanbare events zoals het bombardement, megalomane stedenbouw en een wildgroei van commerciele architectuur. De Coolsingel, de centrale ruimte van Rotterdam, maar ook de drager van de belangrijkste herinneringen van de stad en een plek in permanente transformatie, is op dit moment middelpunt van veel ontwerp en beleids- voornemens.' (Wouter Vanstiphout). Film door Erik van Lieshout en Jeroen Doorenweerd, IBC/SIR.
Inleiding
Op dit moment wordt er een stadsvisie ontwikkeld op de openbare ruimte
van de binnenstad en op de functie van de Coolsingel. Dit biedt kansen
voor het publieke domein van de Coolsingel.
Sculpture International onderzoekt gedurende deze periode van onderzoek,
ontwerp, renovatie, het gebruikspotentieel van een generatie nieuwe
kunstwerken voor deze centrale ruimte van Rotterdam, de Coolsingel, met
een scherp oog gericht op de potentie van deze 'Avenue' als publiek
domein. Naast onderzoeksmatige en tijdelijke projecten blijft het doel
van SIR het verwerven van permanente kunstwerken voor de stad. SIR
nodigde in 2008 twaalf kunstenaars uit een voorstel te leveren voor de
Coolsingel-as voor een tijdelijk, semi-permanent of permanent werk. In
2009 ontving SIR diverse voorstellen van de genodigde kunstenaars.
Inmiddels begin 2011 zijn er diverse ontwerpen gerealiseerd en worden nog twee werken verwacht.
Permanente werken voor de Coolsingel: Joep van Lieshout Cascade en Cosima von Bonin The Idler's Playground.
Tijdelijke werken: Publiek met Bonvicini, Rondinone, Germaine Kruip en
It's Never Too Late to Say Sorry! van Elmgreen & Dragset. Koorzang
van Rory Pilgrim op de trappen van het stadhuis, een performance van
David Lamelas en Roman Ondak, een film van Alfredo Jaar en een
SIRcinema.
Verwacht wordt: Chris Evans.
Tijdelijke manifestaties
De presentatie PUBLIEK was de eerste manifestatie van SIR in het
onderzoek naar mogelijke functies van de kunst voor hartje stad.
When the Lightness of Poetry (19 t/m 27 september 2009) was de tweede
publieke manifestatie die SIR organiseerde in het kader van het
Coolsingel-programma. Vier performances waren gedurende een week op en
rond de Coolsingel te zien. When the Lightness of Poetry was de aftrap
van haar meerjarenprogramma voor de Coolsingel (2009-2012-en verder).
Aan de Coolsingel 47 huisvestte een kleine bioscoop met een film van
Alfredo Jaar en op de trappen van het Stadhuis verwelkomde een koor
iedere vroege ochtend de voorbijgangers. Soms zijn het slechts enkele
minuten (Lucky Day) die je niet mag missen. Lees hier meer over de
performances.
Dees Linders, hoofd van SIR, sprak op vrijdag 18 en woensdag 23
september 2009 met Radio Rijnmond over de performances en de plannen
voor de Coolsingel: lees en luister op de website van RTV Rijnmond.
Nieuwe werken voor de publieke ruimte
Projecten
When The Lightness of Poetry
Van zaterdag 19 t/m zondag 27 september was aan de Coolsingel 47 een kleine bioscoop gehuisvest. Met een film van Alfredo Jaar en op de trappen van...
Publiek
Op initiatief van Internationale Beelden Collectie/Sculpture International Rotterdam waren van 22 september tot en met 18 november 2007 in de naaste...
Cinema
De SIR Cinema bevond zich aan de Coolsingel 47, in het hart van Rotterdam, waar in het verleden zeer veel prachtige bioscopen te vinden waren....
Het Essay
Hoe ver is de avenue?
Dirk van Weelden
Loop eens over de Coolsingel met het idee dat het een avenue zou kunnen zijn, een grootstedelijke pronkstraat, het vlaggeschip van de stad. Een bühne waarop de stad zichzelf graag ziet, omdat ze er met grandeur en allure aan zichzelf kan verschijnen; het trefwoord: ‘Champs Elyssées van de Randstad’. Vier en twintig uur verbleef ik op de Coolsingel. En tijdens mijn half dozijn tochten van Hofplein naar Erasmusbrug en terug, vroeg ik me af of het wel verstandig was om al fantaserend over allure en avenues door de Rotterdamse werkelijkheid te slenteren. Wat betekenden die woorden hier op de Coolsingel? Was dat wel zo duidelijk? Oftewel, waren de Champs Elysées niet te ver weg?
Ik nam me voor eerst maar eens de kritische weg te bewandelen. Het leek
me leerzaam op zoek te gaan naar een plek waar ik me het verst
verwijderd voelde van de gewaarwording te lopen op een boulevard of
avenue van een West Europese metropool. Bij wijze van ankerpunt bij het
kijken naar de Coolsingel als avenue. Misschien was het dan wat
makkelijker te formuleren wat een woord als allure hier kon betekenen.
Bij het naderen van het postkantoor begon het. De stad om me heen leek
te krimpen. Het paleis der publieke telecommunicatie, gehavend, maar
monumentaal, werd ontsierd door een lomp uitgevallen rolstoelhelling.
Nadat ik me door de klapdeuren gewurmd had betrad ik de enorme ruimte
van de hal. Maar echt zien kon ik hem niet, aangezien de postservice
plaatsvond in een kabouterhuisje dat als een parasiet leefde in het
binnenste van de dode dinosaurus die het postkantoor was. Met die entree
was het grootstedelijke gevoel waarmee ik kort daarvoor nog over het
trottoir stapte grondig om zeep geholpen. Was ik in Emmen? Zo dom en
liefdeloos als dit gebouw gebruikt werd. De meelijwekkende lulligheid
van het postwinkeltje met zijn ansichtkaarten en gummetjes.
Maar het kon nog erger. Achteraf, uit de loop, stond een vitrine. Daarin
bevond zich een enorme maquette van het postkantoor. Op schaal
geknutseld en geverfd door een ex-werknemer van de PTT, ik geloof ene
meneer Willems. Er sprak een enorm geduld, een ouderwetse toewijding en
liefde voor het gebouw en het bedrijf uit. Op een bordje las ik dat de
man er 4658 uur werk in gestoken had. Het was zo’n bordje van dat matte
plastic met typemachineletters in reliëf, een bordje van het soort dat
in alle ziekenhuizen, sociale diensten en postkantoren hing dertig,
veertig jaar geleden. De maquette was het overblijfsel uit een verdwenen
wereld, een pijnlijk na-spokend verleden.
Als de droom was om van de Coolsingel een grootstedelijke avenue te
maken, dan was dit punt op de Coolsingel daar het verste van verwijderd.
Dat zat hem niet alleen in de vitrine met zijn smoezelige ruitjes en de
vergeten en in verval rakende maquette. En ook niet in dat mallotige
postkioskje midden in het monumentale gebouw. Er sprak een grote
onhandigheid uit de omgang met dit gebouw en deze plek. Wat op de hele
Coolsingel meespeelde was hier samengebald tot een dieptepunt:
aandoenlijke kneuterigheid, kleinsteedse wansmaak en een sfeer van
armoedigheid en verwaarlozing. Wat ontbrak was een vitaal verband tussen
het verleden van het gebouw, de straat waaraan het stond en de
toekomst.
Opgetogen met mijn nieuw gevonden ankerpunt liep ik naar buiten.
Misschien kon ik nu naar de Coolsingel kijken en van situaties, gebouwen
en inrichting bepalen of ze verwezen naar het dieptepunt in het
Postkantoor, of daarvan weg wezen. Het eerste wat ik zag leek het me
makkelijk te maken. Het Stadhuis was zonder twijfel een prachtig
monument voor het zelfverzekerde en expansieve Rotterdam uit het begin
van de twintigste eeuw. Tegelijkertijd was het het machtscentrum van nu
en een punt van waaruit traditioneel met de volksmenigte iets wordt
gevierd. Een echte hotspot, een sterk element van een avenue.
Maar de als skihut vermomde McDonald’s op de rand van het brede trottoir
had eenzelfde kneuterigheid en armoedigheid als het postkioskje in het
Postkantoor. Van de weeromstuit dacht ik aan wat een MacDonald’s zou
kunnen zijn aan een avenue. Ik zag een breed pand voor me. Hoog,
verbluffend, een hedendaags palazzo. Van binnen en van buiten ontworpen
door jonge hedendaagse Rotterdamse architecten. Hi-tech wenteltrappen,
slim verborgen verlichting, een spectakulair met lamellen bezet
koepelvormig plafond, eet-enclaves hangend aan een vide (ik zeg maar
wat). Een fastfood-restaurant dat in zijn ‘look’ en ‘feel’ zo verweven
is met de faam van Rotterdam als stad van innovatieve architectuur, dat
het een toeristische attractie wordt. Welke stad heeft dat, een
McDonalds om trots op te zijn? New York heeft op 5th avenue zijn glazen
kubus van Apple, die toeristen trekt als architectonisch sieraad en als
winkel. In feite een makkie, met zo’n merk. Een Rotterdamse MacDonald’s
met vergelijkbare allure zou een veel ambitieuzer project zijn. Maar
onmogelijk lijkt het me niet.
Rotterdam is de stad van mijn ouders en grootouders en als kind kwam ik
dus wel eens op de Coolsingel. Het moet in de jaren zestig zijn geweest
en wat ik me ervan herinner wordt in me wakker als ik naar de fontein op
het Hofplein kijk, mijn ogen langs het Hilton laat gaan, de Bijenkorf,
het HBU gebouw, de Beurs zie en het ABN-Amro bank gebouw ertegenover.
Schoon, modern, stralend, een beheerste en intelligente vorm van rijkdom
en stijl, en vooral internationaal. Dat zijn de adjectieven die horen
bij mijn kinderlijke bewondering voor wat die gebouwen opriepen. Ze
spoorden met mijn enthousiasme voor de TEE treinen, de ruimtevaart, de
Thunderbirds, James Bond en het Atomium in Brussel.
De gebouwen en plekken op de Coolsingel die met die tijd en stijl
verbonden zijn voegen inderdaad allure toe. Maar het is een bescheiden
en historische elegantie, die nooit de hele Coolsingel kan domineren.
Sterker, er gaat iets kwetsbaars uit van het Hilton, de Bijenkorf en de
Beurs tegen de achtergrond van de hedendaagse wolkenkrabbers. Het zijn
mooie oude kinderen.
Hun rol in het avenue-effect kan alleen bestaan als hun elegantie niet
gesaboteerd wordt door plastic gras, schranshutten en gokhallen. De
klassiek-modernistische parels aan de Coolsingel hebben het nodig dat
hun directe omgeving hen ‘inlijst’ en de aandacht richt op hun
bijzondere eigenschappen. De oude, tere allure van de Coolsingel zou je
moeten beschermen, door haar te bevrijden. Wat hen het beste inlijst is
een strook ruisloze ruimte, een buffer van leegte.
Bij het passeren van de discount winkels en de Koopgoot kreeg de vraag
naar een avenue met allure iets lachwekkends. Wat kon er op tegen de van
heinde en verre aanstromende massa’s, de grote omzetten, het lawaai en
de lichten, de populaire winkelketens, de macht van de grootste gemene
deler, de zelfbevestigende massaconsumptie? Dit was de sfeer die een
eventuele Coolsingel-avenue letterlijk doorkruiste.
Aan de andere kant, dit was de realiteit en misschien niet eens
onverenigbaar met een grootstedelijke avenue. Het was zaak er iets
robuusts en souvereins tegenover te zetten. Je moest je een avenue
gewoon zo plastisch mogelijk voorstellen. Een lijstje maken met
noodzakelijke ingrediënten. Terwijl ik ergens neerstreek om een kop
koffie te drinken bedacht ik: op een avenue verwacht je op zijn minst
één superieur restaurant, met een ster ofzo. En er is minstens één
theater, liefst groot, twee kleine is ook goed. Er is toch minimaal één
winkel (beter twee of drie) met zulke begeerde kleren en accessoires dat
je er regelmatig beroemdheden kunt zien winkelen. Hetzelfde geldt voor
andere zaken die zich richten op de verkoop van luxe en status: antiek,
horloges, goud en juwelen, kunst en exclusieve auto’s. Aan een avenue
verwacht je dat de machtigste reclamebureaus een kantoor hebben en
persbureaus en de grote nieuwsfoto-agentschappen een vestiging willen
hebben; desnoods klein en symbolisch. Op een avenue verwacht je dat er
minstens één voormalig staatsman woont, één beroemde ex-sporter of
zanger, één tegen de elite aanschurkende schrijver en een goud
verdienende kunstenaar. En natuurlijk al die nieuwe rijken die graag een
appartement naast zulke mensen kopen.
Allemaal zaken, mensen en etablissementen waarvan ik geen spoor kon ontdekken toen ik over de Coolsingel liep.
Tijdens mijn wandelingen van Erasmusbrug naar Hofplein en terug dacht ik
als vanzelf vaak over de groeiende verschillen tussen arm en rijk. Veel
vaker en veel sterker dan in de binnensteden van Amsterdam of
Antwerpen. Daar kon je zomaar een uur of wat vergeten dat de stad uit
meer dan leuk opgeknapte oude woonhuizen, winkelcentra, brasseriëen,
terassen en straatjes met geinige winkeltjes en boetiekjes bestaat. Op
de Coolsingel niet. Juist door de discrepantie tussen de ruimtelijkheid
en het soort winkels dat er zat, door het contrast tussen vergezicht en
treurige snackbarren, werd ik er steeds weer aan herinnerd dat even
verderop uitgestrekte wijken waren met mensen voor wie de wereld van het
funshoppen en het verlangen naar een Hollandse Champs Elysées pijnlijk
ver weg was.
Bij de koffie las ik in de Maasbode een vraaggesprek met een oude
mevrouw uit Charlois, die erover klaagde dat het centrum van Rotterdam
niet bruiste. En ze wist ook waardoor het kwam. Het was te duur. Zelf
kende ze niemand die al eens naar het nieuwe Luxor was geweest. Gewoon
omdat zestig euro voor een kaartje teveel geld was. Maak die kaartjes
half zo duur, pleitte ze, dan gaat het wel weer bruisen in de stad.
Een erg boeiend stukje. Interessant eraan vond ik de vooronderstelling
dat welgestelde mensen onder elkaar niet bruisen. Pas met de vermenging
van minder vermogenden, die een andere wereld, een andere wijk bewonen,
krijgt het stedelijke leven iets van de schwung die mensen van een grote
stad verwachten.
Ik moest terugdenken aan wat ik in het artikel van Jan Oudenaarde over
de geschiedenis van de Coolsingel had gelezen. Hoe het Stadhuis verrees
nadat de verkrotte en beruchte zeemansbuurt van Zandstraat en Roode Zand
gesloopt was. Die wirwar van straatjes en stegen met bordelen,
logementen en kroegen moest het veld ruimen, net als het water in de
singel en de Molen de Hoop, om een eerste stap in de richting van een
avenue te doen. Bij het lezen over het bruisen van de Coolsingel tussen
1900 en 1939 steeds moet denken aan de armoede, de crisis, de dagloners
in de haven en de havelozen die van het Brabantse, Zeeuwse en Vlaamse
platteland hun geluk kwamen zoeken. Het was net alsof het bruisen, de
elegantie en de hippe vernieuwingsdrang die sprak uit de verhalen van
het Atlanta hotel, het Tuschinksy Imperium, de Cineac, het danspaleis
van Pschorr en de bloeiende theaters, verbonden waren met een dynamiek
tussen armoede en rijkdom. Een dynamiek die toen nogal feestelijk
uitpakte op de Coolsingel. Vooral ’s avonds, geloof ik.
Manolo Blahnik, de ontwerper van luxe schoenen, zei dat hij winkels in
het voormalig Oostblok opende, niet omdat hij verwachtte daar veel te
verkopen. Zijn winkels waren er niet alleen om die peperdure schoenen te
verkopen, maar ook om mensen die het geld daarvoor niet hadden de kans
te geven zijn schoenen goed te bekijken. ‘Je hebt geen geld nodig om
elegantie, perfectie, oog voor detail en vakmanschap te waarderen en
ervan te genieten,’ volgens Blahnik. Zijn winkels als droompaleizen, die
verlangen en eventueel navolging opwekken.
De avenue is een stedelijke bühne waar zich luxe, rijkdom en mondaine
elegantie presenteren, maar dan in zo’n ruim opgezet milieu dat zich
eromheen een openbare leegte opent die door een aspirerend publiek
gevuld wordt. En wat doet dat publiek? Dat houdt zich bezig met mimicry
van de uiterlijke kenmerken van die luxe, rijkdom en elegantie. Niet
door massaal goedkope spullen te kopen, maar door een grootstedelijke
vorm van publiek theater. Soms letterlijk, door (voor even) dat leven te
leven en navenant te winkelen en uit te gaan. Maar meestal natuurlijk
alleen door het elegante leven van nabij te bewonderen, zich eraan te
warmen en met eigen beperkte middelen na te spelen.
Je beste pak aantrekken en doen-alsof, flanerend meedromen en zo voor
even en hoofdzakelijk virtueel, deelhebben aan dat wat er alleen in de
Metropool te vinden is: luxe, schoonheid, elegantie, mondiale stijl. De
cafés, restaurants en terrassen zijn de tribunes waar spelers en publiek
vermengd raken. In de schoenenwinkel, maar ook op de terrassen, in de
foyers van de theaters, in de galeries, de concertzalen, op de
dansvloer. Een droombeeld van de ‘grote wereld’ die in de gedaante van
een avenue van een kleine twee kilometer lengte is neergedaald in je
eigen stad, en daar echt en begaanbaar is. Een avenue is van oudsher een
plek waar het bruist doordat minder vermogenden zich met zulke
verwachtingen verzamelen en vermengen met de welgestelden en de zeldzame
echte rijken en beroemdheden.
Een avenue is vandaag de dag iets anders dan vroeger. De steden zijn
groter, de buitenwijken psychologisch en door verkeersproblemen nog veel
verder weg van het centrum . Een hedendaagse avenue moet concurreren
met de indrukwekkende winkelcentra aan de snelwegen, maar vooral met het
feit dat er zoveel mensen geld en tijd genoeg hebben om te reizen, te
winkelen, te skiën, te windsurfen, hun huis te verbouwen en her in te
richten, te tuinieren. Wie in de jaren dertig een paar tientjes over had
en net dat middagje en avondje vrij, haalde z’n goeie goed van de
stomerij, dofte zich op en ging uit voor een cocktail, een toneelstuk,
dansen. Dat was luxe en vrije tijd. Vandaag de dag heeft een avenue, als
plaats om vrije tijd en geld te besteden met een enorme industrie te
concurreren.
Ook de functie van de avenue als fata morgana van de ‘grote wereld van
luxe en elegantie’ is niet dezelfde meer. Mensen verhouden zich tot de
luxe, de stijl en de elegantie van de elite en de beroemdheden op een
andere manier dan vroeger. Veel van die droomarbeid over de grote wereld
en de bijbehorende mimicry gaan via televisie, internet, games,
opgenomen muziek en dvd’s. Oftewel, in hun eigen omgeving, niet meer
uitsluitend in openbare gelegenheden zoals pleinen, avenues, theaters en
bioscopen. Flaneren, dat kennen mensen alleen nog van vakantie, als ze
zich naar lokale gewoontes voegen in stadjes en dorpen waar ’s avonds
nauwelijks iets anders te beleven valt.
Terwijl ik stond te wachten bij het voetgangerslicht op het
Churchillplein keek ik naar het Maritiem Museum. Achter het grauwe en
oerlelijke gebouw staken de kranen en masten van het tentoongestelde
verleden de lucht in en gaven met hun vormen en vlaggen de plek kleur en
sfeer. Op een scherm aan de gevel probeerde men wat er binnen in het
museum te beleven viel aan tentoonstellingen, evenementen en
rondleidingen, te verbinden met wat de mensen op straat bezig hield: het
stadsnieuws, de toestand van het onderwijs, het weer, reisaanbiedingen.
De passerende stedeling werd aangesproken als een televisiekijker of een
websurfer. De straat, met zijn winkels en museum, werd er een
televisiekanaal van. En hoe goed bedoeld en sympathiek de aanblik van
het museum en het scherm ook werkten, ze wekten de gedachte bij me op,
dat dit nu precies het model vertegenwoordigde dat wegwees van een
avenue en de associatie opriep aan winkelcentrum en Koopgoot. Het
tegenovergestelde van de voorpret en prikkeling die een avenue oproept
is de koele, routineuze aandacht van een zappende televisiekijker. Lopen
langs de gevels van een winkelcentrum, waar grote winkelketens hun
overbekende logo’s en slogans de massa in slingeren, is een stedelijke
vorm van zappen. Een avenue is iets anders, een hotspot, een gebied waar
exclusieve en bijzondere zaken te zien zijn en opmerkelijke en
onvoorspelbare dingen gebeuren, waar beroemdheden passeren. Niet als
plaatje, maar echt.
Het was een onloochenbaar feit dat de hedendaagse stedeling zijn gebruik
en beleving van de stad helemaal verweven had met zijn media-gebruik.
Nadenken over de Coolsingel als een hedendaagse avenue moest wel uitgaan
van het model van de hotspot en wegbewegen van de televisie-zappende
straatbeleving, maar er zou wel een slimme verbinding met het
gemediatiseerde karakter van het stadsleven in het plan verwerkt moeten
zijn.
En toen dacht ik weer aan de meest doodse plek die ik gevonden had op de
Coolsingel. De hal van het postkantoor. In gedachten ontruimde ik het
kolossale gebouw, bracht de postdienst onder in een fris winkelpand
ergens tussen een kledingzaak en een telefoonwinkel en renoveerde en
zandstraalde de oude kolos. Een kleine, slimme en smaakvol ontworpen
rolstoelhelling aan de zijkant gaf de voorgevel zijn oude luister terug.
Ik benoemde het oude postkantoor tot het hoofdkwartier van de avenue in
aanbouw.
Wat zou dat gebouw huisvesten? Uitgaande van het idee dat een
hedendaagse avenue alleen kan bruisen als er een verweving plaats vindt
met het gemediatiseerde leven stel ik me voor dat het een mediacentrum
moet zijn. Maar niet naar het model van de televisie, die de mensen in
geïsoleerde en passieve zappers verandert. Eerder naar het model van
eCulture, oftewel de verbinding tussen evenementen, festivals en
bijeenkomsten en gemeenschap en communicatie op het internet. Denk aan
een satirische site als GeenStijl, die ook een wekelijkse comedy-club
zou hebben in dit gebouw. Of een wedstrijd in internet-games, waarbij
teams (te zien op groot scherm) tegen elkaar om de overwinning strijden
voor een volle zaal.
Ook internetforums die zich met sociaal en politiek debat bezighouden,
met de vorming van politieke actie en meningsvorming buiten de politieke
partijen en massamedia om zouden in het Avenue-centrum hun
bijeenkomsten moeten gaan houden. Iedere donderdag bijvoorbeeld zou er
in een zaal een bandje kunnen optreden, als voorprogramma, waarna op een
groot scherm live en direct verbinding gemaakt wordt met een optreden
van een band in Londen, Rio de Janeiro of Chicago. En waarom zouden er
geen regelmatige evenementen kunnen plaatsvinden van
internetgemeenschappen als MySpace, Hives en mensen en bandjes uit de
stad die actief zijn op Youtube. Duur of ingewikkeld hoeft het niet te
zijn. Noem het salons, noem het een mix van uitgaan en elektronische
cultuur. Mode, comedy, muziek, politiek debat, milieu-activisme, de
wereld van games, kunst, literatuur; van al die domeinen kun je zeggen
dat de toekomst ervan zich afspeelt op het internet en bij de groepen en
samenwerkingsverbanden die daar ontstaan. Voor die ontwikkeling zou op
de Coolsingel een huis moeten staan. Om de fysieke wereld te koppelen
aan de virtuele, om die energie en het bruisende ervan letterlijk op
straat te brengen.
Een avenue was van oudsher een zone waar het bruiste omdat de minder
vermogenden gingen meespelen in de stijl van de welgestelden en rijken.
Interactief, participerend straattheater. Vandaag de dag gaat het niet
alleen om de fysieke, uiterlijke kemerken van exclusiviteit en rijkdom,
maar ook om een andere vormen van exclusiviteit. Om ‘cool’, om
informatie, om de (tijdelijke)beroemdheid van willekeurige mensen, om
toegang tot kleine gemeenschappen. Het Avenue hoofdkwartier zou de plek
moeten zijn waar het traditionele avenue-straattheater zich vernieuwen
kan. Juist het monumentale onderkomen in het oude postkantoor (die oude
tempel van publieke communicatie) en de veranderlijke, extreem diverse
en lichtelijk chaotische activiteit die er in plaats vindt, zouden de
Coolsingel iets van een hotspot kunnen geven. Een laagdrempelig, op
participatie en meespelen gerichte omgeving die een arena is voor
hedendaagse vormen van exclusiviteit, luxe en stijl.
Weer terug op het Hofplein bedacht ik me dat de Coolsingel nog een
handicap had als je haar vergeleek met de avenues in oude metropolen. De
stad had toeristische trekpleisters en lokaties met onmiskenbare
allure, maar die lagen net wat verder weg. Ik dacht aan het Museumpark,
aan de Euromast, de Doelen, het Schouwburgplein, Witte de With en het
Fotomuseum, aan het Filmfestival, aan de Kuip en het Jazzfestival. Hoe
kon de Coolsingel, als een 21e eeuwse avenue daarvan profiteren?
Aangezien er ruimte genoeg was en ik me niet voorbarig wilde laten
hinderen door praktische of financiele bezwaren, bedacht ik dat op de
avenue die de Coolsingel zou kunnen zijn depandances moesten komen van
al die omgevingen en evenementen. Geen reclamezuilen of
informatiekiosken, maar ruimtes of panden die een integraal onderdeel
vormden van wat er gebeurde verderop in de stad. Niet eens al te grote,
maar slimme en op de omgeving afgestemde afsplitsingen van die
instellingen. En ook hier weer leek het me zinnig om het kenmerkende
luxe-straattheater-model van de avenue als uitgangspunt te nemen. Een
met een hip cafe uitgeruste mini-bioscoop van het Booijmans waar
kunstfilms kunnen worden bekeken, aan de lopende band, als hedendaagse
Cineac. Uiteraard verbonden met het internet om ook
internet-kunstprojecten in een uitgaansomgeving toegankelijk te maken.
En zou er niet iets spannends kunnen gebeuren als bijvoorbeeld de lokale
omroep, een collectief van mediakunstenaars, VJ’s en feest-ontwerpers,
samen met jonge architecten, ondersteund door het Nai een nachtclub
zouden beginnen op de Coolsingel?
Wegdromend op het Hofplein en een beetje strandend op mijn fantasieën
voor nog meer dépendances, viel mijn oog op de fontein. Nu ik er eens
goed naar keek was het een oubollig en niet erg zwierig ding. Wel groot,
maar bescheiden vormgegeven met van die gedrongen vissen-ornamenten.
Opeens zag ik er een grote patserige villa staan. Zo eentje als je in de
betere Vlaamse suburbs ziet. In mijn fantasie zou er een slotgrachtje
omheen gegraven zijn en zou het verkeer er gewoon omheen blijven rijden.
De bewoners zouden via een tunnel kunnen komen en gaan. Je zou het
kunnen zien als een dépendance van de wijken met uit de stad gevluchte
rijken.
Op weg naar het station over het Weena, nietig in de ijzige schaduw van
de hoge torens, voelde ik opeens grote twijfel over de Coolsingel als
avenue. Konden er nog wel avenues ontstaan tegenwoordig? Of was het
planmatig willen oproepen van grootstedelijke allure iets dat leek op
het bedenken, inrichten en programmeren van een pretpark. Alleen dan
gehinderd door de belangen en wensen van ondernemers en bewoners. En op
goede en heilzame wijze gecompliceerd door de geschiedenis en de
diversiteit van de bewoners. Ja, misschien moest je dat gewoon
ruiterlijk toegeven. Niet over zeuren, maar op in spelen. Waarom zou er
bijvoorbeeld geen ‘bureau of animation’ kunnen bestaan, een dienst met
mensen die er voor zorgen dat er altijd wat gebeurt op de Coolsingel?
Niet verkleed als Mickey Mouse en Goofy, maar meer under cover, op
slimme en speelse wijze vermengd met de werkelijkheid. Uitgaand van de
avenue als een omgeving van uitzonderlijke verschijningen kun je denken
aan het organiseren van quasi toevallige bezoekjes van beroemdheden en
artiesten (slim uitgelekt via websites), aan incidenten die opzien baren
en vermaken, maar uitgevoerd zijn door acteurs. Aan lentemiddagen
waarop zomaar een hele colonne mannequins in een nieuwe Victor en Rolf
collectie naar de Erasmusbrug marcheren. Of de verschijning van
driehonderd Dalmatiërs. Kortom, een dienst die half geheim ervoor zorgt
dat flaneren, rondhangen, cruisen over de Coolsingel van ‘s ochtends tot
’s nachts een belevenis kan zijn. Goed emplooi voor
(kunstacademie-)studenten en creatieven, die op die manier vanuit hun
enclaves naar het centrum gelokt zouden worden.
Allure, het was een on-Rotterdams woord, bedacht ik me in de trein die
door de schemering van de stad wegreed, Het was een term die verlokken,
verleiden en betoveren in zich droeg. Iets wufts en luchtigs, iets
decadents ook. Toch waren het precies die adjectieven die als de
noodzakelijke voorwaarden voor een echte avenue moesten gelden. Het
gekke aan Rotterdam was wel, dat er nergens in Nederland zoveel
onverholen verlangen naar grandeur en allure was, terwijl de
stadscultuur er zo weinig geschikt voor leek. Die was verre van
kosmopolitisch, eerder cynisch-provinciaal, neigend naar volks en
vrolijk simplisme. Wat indruk maakte was stoer sentiment en technisch
vernuft.
Een bloeiende avenue berust op een verlangen naar luxe en elegantie en
de wijde wereld. Maar ook op de vonken die overslaan, de bruis die
ontstaat als minder vermogenden, welgestelden, rijken, bohemiens en
zwervers dat verlangen op een strook van anderhalve kilometer delen. De
Coolsingel ligt er in dat opzicht nu braak bij, maar lijkt een ideale
bühne voor zo’n atmosfeer. Om de Rotterdamse rauwe energie te
comprimeren en te verfijnen tot een bruisend avenue-effect is er
misschien een hoop instroom van buitenaf nodig. Franse, Duitse, Vlaamse,
Litouwse, Italiaanse, Poolse, Ghanese, Engelse, Chinese chic en
verlangen naar chic zou je wensen te bespeuren om de Coolsingel meer
avenue te laten zijn. Net als New York wordt Rotterdam meer zichzelf als
het op een royale manier ruimte geeft aan en trots is op de gekkigheid
die zich van over de hele wereld daar verzamelt. De Coolsingel als
avenue moet ook de Champs Elysées worden voor de immigranten en bewoners
van achterstandswijken. Wat is er voor nodig dat ook zij daar willen
flaneren tussen de toeristen? Ik dacht ook aan chique Poolse
restaurants. En dat dan heel Rotterdam trots wordt op die avenue.
Zo eindigde de dag met een simpel wensbeeld. Als ik mijn ogen dicht deed
kon ik de Coolsingel als avenue bijna zien. Schommelend en dommelend in
intercity naar Amsterdam was ik Rotterdamser aan het worden.
© Dirk van Weelden 2007
Korte geschiedenis van de Coolsingel
door Wouter van Stiphout
(fragment van door Van Stiphout geschreven advies voor SIR)
Rotterdam dankt haar sociaal culturele karakter, haar ruimtelijke vorm en haar symbolische zeggingskracht aan een serie meedogenloze schokken en catastrofes die zij sinds het einde van de negentiende eeuw heeft ondergaan, schokken die een pars pro toto zijn voor ontwikkelingen die overal ter wereld hebben gespeeld, maar die in Rotterdam, ieder keer weer hebben geleid tot een herdefinitie waar deze stad voor staat en hoe eraan gewerkt moet worden. Iedere shock die Rotterdam onderging wiste haar geheugen, waarop zij geheel van koers veranderde. Tussen twee shocks door onderneemt men vruchteloze pogingen om de continuïteit in beeld, geschiedenis en openbare ruimte van de stad te herstellen. De Coolsingel is in haar gefragmenteerde ruimtelijke opbouw en geschiedenis een sprekend voorbeeld van.
(Een actuele referentie voor deze analyse is het nu beroemde en beruchte boek van de antiglobalistische journaliste Naomi Klein, die uitlegt hoe vanaf de jaren vijftig het neo-liberale economische en politieke gedachtegoed greep kon krijgen op een hele serie landen, omdat deze steeds werd ingeleid door een al dan niet bewust toegepaste vorm van Shock Therapie: een oorlog, een staatsgreep, een financiële crisis, een tsunami of een overstroming, en dat de wortels van deze ‘methode’ liggen bij de elektroshocktherapie, waarbij de hersenen van mentaal gestoorde patiënten werden gereset, zodat zij ontvankelijk zouden zijn voor therapeutische manipulatie.)
1880
De doorbraak van de Nieuwe Waterweg bij Hoek van Holland en de aanleg van het luchtspoor dwars door het middeleeuwse hart van Rotterdam, waarvoor de Rotte moest worden gedempt, en Rotterdam tegen haar eigen keuze in door Thorbecke met één ruk tot een kruispunt in de moderne industriële wereldhandel werd gemaakt, zonder enig respect of mededogen voor haar historisch gegroeide identiteit. Starpunt van een periode van extreme groei en industriële ontwikkeling
1915
De demping van de Coolsingel, de totale sloop van één van de oudste wijken van Rotterdam, het zandstraatkwartier, voor de bouw van drie monumentale openbare gebouwen, waarmee Rotterdam een begin maakte met het vervangen en verplaatsten van haar historische centrum gebied, decennia voor het Bombardement,, met als gevolg de gedwongen verhuizing van duizenden Rotterdammers en het wegvagen van een beruchte volkswijk. Het startpunt voor een periode waarin heel Rotterdam tot een laboratorium voor architectuur en stedenbouw werd hervormd, van Blijdorp tot en met Rotterdam Zuid, en het oude, archaïsche, volkse, criminele en wilde van de havenstad hardhandig werd weggesneden. Geboorte van Rotterdam als moderne stad
1940 – 45
Uiteraard gaat het in deze periode om het bombardement op Rotterdam, maar vooral om de bijna gretige wijze waarop de stad hiervan gebruik heeft gemaakt om alle eigendomsrechten van de binnenstad met een pennenstreek op te heffen, ieder gebouw – soms licht beschadigd – af te breken, op enkele brokken aan de Coolsingel na, het puin weg te ruimen en de binnenstad te vervangen door aardappel, tarwe en roggevelden, vervolgens alle vigerende wederopbouwplannen van de vooroorlogse planners af te schaffen, en vanuit een abstracte leegte een totaal nieuwe binnenstad op te bouwen, waarvan de leegte ook decennia later nog steeds het meest opvallende element zou blijven. Het niet alleen ondergaan maar verwelkomen en aangrijpen van de destructie krijgt in deze periode haar hoogtepunt en maakt Rotterdam wereldberoemd.
1968 - 1970
Een serie traumatische gebeurtenissen laten zien dat het industriële tijdperk in Rotterdam over is en de kater van bijna een eeuw industrialisatie, groei en immigratie groot is. In 1968 vindt er een grote explosie plaats bij Shell Pernis, in 1970 vinden er rassenrellen plaats in de Afrikaanderwijk, tussen de blanke arbeiders en de Turkse gastarbeiders die en masse zijn aangekomen en gezamenlijk in illegale pensions wonen, datzelfde jaar vindt een enorme havenstaking plaats waarbij tienduizenden havenarbeiders hun werk neerleggen en de haven tot stilstand brengen. Deze periode beëindigt het moderne wederopbouw Rotterdam, en luidt een periode van kleinschaligheid, links bestuur maar ook van diepe frustratie en politieke angst in; alles waar Rotterdam masochistisch trots op was, moet vanaf nu worden verholpen, gecorrigeerd, vermenselijkt en met de mantel der liefde toegedekt.
1979
Door een klein en eerste jarenlang onzichtbaar schokje duizenden kilometers ver weg– de uitvinding van de zeecontainer – verandert de haven van Rotterdam totaal van gedaante en bovendien verdwijnt zij voorgoed uit de centrale stad. De sinds het begin van de jaren zeventig toch al droevige en arme stad, lijkt nu haar enige reden van bestaan te verliezen ten gunste van een abstract, glimmend, onmenselijk systeem van geruisloze en betekenisloze stalen dozen in RAL kleuren met onbekende inhoud, getransporteerd door een fractie van wat er vroeger nodig was aan havenarbeiders. Merkwaardig genoeg leidt deze periode tot een enorme creatieve activiteit met neon-romantische kunstenaars, dichters, ontwerpers en grafisch ontwerpers die voor het eerst sinds de jaren dertig Rotterdam tot een authentiek en vernieuwend laboratorium maken: Hard Werken, Weeber, Deelder en OMA. Rotterdam is samen met New York en Manchester de plek waar de post punk esthetiek haar scherpste vorm krijgt en waar in feite de jaren tachtig voor de rest van de wereld worden uitgevonden. In haar armste en droevigste tijd, was zij artistiek dus het sterkst.
2002
De opkomst, moord en erfenis van Pim Fortuyn zorgen voor internationale aandacht voor Rotterdam, zoals zij die sinds de tweede wereldoorlog niet meer heeft genoten. Wat naar voren spoot in deze periode is zowel de diepe frustratie van de volkswijken, de vervreemding van de politieke en culturele elites en ook de aanwezigheid van een echt Rotterdamse, commerciële, ordinair, patserig en populistisch, anti-intellectueel maar zeer ondernemende klasse van entrepreneurs met politieke aspiraties, managers die de overheid willen vervangen door privaat initiatief. Het ene taboe na het andere wordt doorbroken, van de afbraak van de Lijbaan tot en met het door middel van de Rotterdamwet toepassen van een repressief bevolkingsbeleid; de oude mythes van de tolerante wereldstad worden opzij gezet en Rotterdam blijkt te bestaan uit etnische en tribale eilanden die langs elkaar heen bestaan. Tegelijkertijd wordt de Fortuyn revolte gezien als een bevrijdende oerschreeuw, en wordt Rotterdams politiek gedrag en beleid tot gemeengoed in heel Nederland en laat haar sporen na in Europa. Pim Fortuyn zelf is bovendien niet zozeer de eerste als wel de meest overtuigende, succesvolle en bovendien beroemde voorbeeld van de politicus die bij leven al een symbool, een mythe en een beeld was.





