Sylvette


Sylvette
Sylvette (1970) op de Westersingel in 2011, foto Jannes Linders

Het kunstwerk

Het betonnen beeld Sylvette van Pablo Picasso, dat na een voortraject van zeven jaar in 1970 in het bezit van de gemeente Rotterdam kwam, stelt de negentienjarige Sylvette David voor. Van dit meisje – met haar jeugdige uiterlijk en klassieke profiel, het haar in een paardenstaart met een korte pony – maakte Picasso in 1954 in korte tijd een aanzienlijke reeks portretten, waaronder enkele ruimtelijke modellen. In zijn poging om zoveel mogelijk de karakteristieke kenmerken van zijn model te vangen, greep Picasso terug op de verschillende stijlen die hij in de loop der tijd had beoefend. Onder meer kwam hij terug op uitgangspunten die hij in zijn kubistische schilderijen hanteerde: zo ontleedde hij zijn muze in kleine deeltjes en gaf die opnieuw weer vanuit verschillende gezichtspunten. Daarbij wisselde hij vooraanzicht en profiel onnavolgbaar af. Ook in de manier waarop de onderdelen daarna opnieuw werden gerangschikt tot een beeld, negeerde hij alle perspectiefregels.

Deze ruimtelijke constructie is een uitvergroting van één van de modellen die de kunstenaar vervaardigde van beschilderd metaalplaat. De techniek die Picasso gebruikte was een vinding van de beeldhouwer Carl Nesjar, met wie hij bevriend was. Nesjar ontwikkelde een techniek om de modellen uit te vergroten, door ze op te bouwen uit gietbeton waarin zwarte kiezels werden meegegoten. Vervolgens kopieerde hij de lijnen die Picasso op het metalen origineel had schilderd, op het lichtgrijze beton door het te zandstralen waardoor de zwarte stenen zichtbaar werden. Deze techniek werd betonsgraffito (schrijven in beton) genoemd en leverde grillige lijnen op, die het handgeschilderde karakter van de originele modellen benaderden.

Deze techniek, die het beeld karakteriseert, vormde tevens de grond van de kritiek die het ten deel viel – en waarvoor – onterecht – de schuld bij Nesjar werd gelegd: het geheel zou teveel een in de ruimte uitgeklapte vlakke lijntekening zij geworden, in plaats van een autonome sculptuur die de ruimte om zich heen volledig beheerst.


Achtergronden van de beeldenserie en Picasso’s Sylvette in New York


Specificaties

Jaartal vervaardiging: 1970
Stroming: Kubisme
Vervaardiging, proces: in beton gestort relief en bas, betonsgraffito
Afmetingen beeld (hxbxl) in cm: 750 x 500 x 200 (dikte betonplaat 10 cm)
Materiaal: Gewapend beton met zwarte steentoeslag

De Plek

Vanaf 1964 zijn verschillende inspanningen verricht om een beeld van Pablo Picasso in Rotterdam te krijgen. Het eerste initiatief kwam van de Commissie Stadsverfraaiing, die in 1964 bekend maakte een betonsculptuur naar ontwerp van Picasso te willen laten vervaardigen. Sinds enkele jaren werkte de beeldhouwer Carl Nesjar ruimtelijke constructies van Picasso uit in beton. Men vroeg om een ontwerp en ontving in de loop van 1964 een door Picasso gesigneerd voorstel. Het beeld, een portret van Sylvette, zou twintig meter hoog worden en aan de Plaszoom in Kralingen worden geplaatst. De bevolking was echter fel tegen zo’n ´plak beton´ in het groen.

Nieuwe voorstellen leidden tot een ontwerp voor een kleinere uitvoering van ‘Sylvette’. Protest kwam nu ook van de Rotterdamsche Kunstkring. Het aandeel van Picasso in het creatieve proces vond men te mager. Door de aanhoudende protesten kon men de hoge kosten van honorarium en productie niet verantwoorden en werd de koop voorlopig afgeblazen.

Dat het beeld uiteindelijk toch een plek kreeg in de Rotterdamse binnenstad is te danken aan de Stichting C’70, organisator van Communicatie 70, een manifestatie ter ere van het zilveren jubileum van de bevrijding. Zij liet Sylvette tijdelijk plaatsen op het Weena, voor het gebouw van het toenmalige Bouwcentrum. Het Bouwcentrum besloot in 1971 de sculptuur aan te kopen en aan de stad te schenken.

Na ruim dertig jaar was het Weena zo veranderd dat Sylvette in deze omgeving niet meer tot haar recht kwam. De Commissie Internationale Beelden Collectie stelde voor het beeld te verplaatsen naar een prominente locatie in de binnenstad. In de nacht van 23 op 24 april 2004 werd de 46.000 kilo zware betonconstructie van de fundering losgemaakt en door de binnenstad getransporteerd naar een plek aan de Westersingel, voor de nieuwe aanbouw van Museum Boijmans van Beuningen.

Pablo Picasso & Carl Nesjar

Pablo Picasso & Carl Nesjar

Pablo Ruíz y Picasso (1881-1973) werd geboren in Málaga (Spanje) en wordt gezien als één van de meest veelzijdige kunstenaars van de twintigste eeuw. Hij was niet alleen schilder en graficus, maar ook beeldhouwer en keramist. Zijn werk onderging gedurende zijn carrière steeds opnieuw radicale veranderingen en hij had een aandeel in de belangrijkste kunststromingen van de eerste helft van de twintigste eeuw.

Al op jonge leeftijd blijkt zijn uitzonderlijke tekentalent en bezoekt hij kunstvakopleidingen in Madrid en in Barcelona. In 1904 vertrekt hij naar Montmartre in Parijs en maakte kennis met kunstenaars als Georges Braque en Amadeo Modigliani. Picasso’s eerste plastieken dateren van omstreeks 1910, de periode van het kubisme. Rond 1930 maakt hij opnieuw een aantal bronzen plastieken. In diezelfde tijd brengt zijn landgenoot Julio González hem de assemblagetechniek bij en maakte Picasso driedimensionale ‘collages’ in ijzer. Nog later ontstaan dadaïstisch aandoende assemblages, bewerkingen van schroot en gevonden voorwerpen, en bronsplastieken in uiteenlopende stijl. Picasso vervaardigde ook modellen uit plaatijzer, die hij vervolgens betekende of beschilderde.

Na de Tweede Wereldoorlog vervaardigt hij veel keramiek. In 1948 heeft hij zijn eigen keramiekwerkplaats in het dorpje Vallauris, Zuid-Frankrijk. Daar ontmoet hij in 1954 de dan 19 jarige Sylvette David, dochter van een Parijse kunsthandelaar, die tijdelijk in Vallauris verblijft. Zij vormt de inspiratie voor een serie van veertig tekeningen, schilderijen en ruimtelijke studies. Een paar jaar later, in 1957, maakt Picasso kennis met de Noorse beeldhouwer Carl Nesjar (1920). Er ontstaat een zeventienjarige samenwerking die resulteert in de uitvergroting van verschillende modellen van karton en metaalplaat in beton, waaronder enkele portretten van Sylvette.

Jarenlang is Picasso’s driedimensionale werk lang niet zo bekend geweest als zijn schilderijen, tekeningen en prenten. In 1960 brengen enkele grote overzichtstentoonstellingen van zijn sculpturen daar verandering in.

Sylvette


Claudine Hellweg

In het voorjaar van 1954 ontmoette Pablo Picasso de twintigjarige Sylvette David. Picasso was toen 73 jaar oud en had gedurende alle periodes van zijn kunstenaarschap het vrouwenportret in ere gehouden. Sylvette was de belichaming van een type vrouw dat Picasso in feite al een jaar uit het hoofd tekende: een jong meisje met een fier geheven hoofd op een slanke nek, met klassieke gelaatstrekken en het blonde haar opgebonden in een hoge paardestaart. Geen wonder dus dat Picasso haar vroeg voor hem te poseren. Sylvette stemde toe en Picasso portretteerde haar in zo’n veertig tekeningen, schilderijen en kleine ruimtelijke constructies uit metaal in een tijdsbestek van twee maanden. Deze reeks portretten is wel omschreven als een artistieke liefdesverklaring. Picasso vertaalde haar gezicht in alle denkbare stijlen, van naturalistische tekeningen tot schilderijen waarin hij de kubistische stijl, die hij bijna een halve eeuw eerder samen met Braque ontwikkelde, opnieuw onder de loep nam.

De werken tonen zijn meesterschap als schilder en maken duidelijk dat hij tot op hoge leeftijd zichzelf nog steeds vernieuwde. De reeks illustreert bovendien dat Picasso het vermogen had een motief op uiteenlopende naturalistische en kubistische wijze te benaderen. Hoewel het kubisme binnen de kunstwereld van de jaren vijftig hoog stond aangeschreven, was het bij het algemeen publiek niet geliefd. De Sylvette-serie echter maakte de moderne schilderkunst toegankelijk en het werk van Picasso begrijpelijk. De serie was zelfs voor jongere generaties aanleiding tot identificatie. Dat ging zo ver, dat de zelfverzekerde rechte houding en de hoge paardestaart van Sylvette een rage werden in Parijs. Meisjes met haar en houding ‘à la Picasso’ bepaalden een tijdje het straatbeeld.

In 1957 leerde Picasso de Noorse kunstenaar Carl Nesjar kennen. Nesjar had voor een nieuwe betonsoort die in zijn land was ontwikkeld een techniek bedacht waarmee hij grote sculpturale constructies kon maken. Hij goot in het beton kleine zwarte steentjes mee. Als het beton was uitgehard, bewerkte hij het met een zandstraal, waardoor de zwarte steentjes werden blootgelegd. Op die manier kon Nesjar in het beton tekenen, met lijnen die een grof, schetsmatig karakter hebben. Picasso was onder de indruk van deze techniek en de mogelijkheden die ze bood om zijn kleine sculpturen uit te vergroten. Al in 1957 ontstond een eerste samenwerking, waarbij Nesjar beelden van Picasso uitwerkte tot drie monumentale wanddecoraties voor een regeringsgebouw in Oslo. Er volgden tal van ingegraveerde betonconstructies voor openbare gebouwen en parken over de hele wereld. Ook Picasso’s Parijse kunsthandelaar en vriend Kahnweiler had een betonconstructie in de tuin van zijn buitenverblijf staan. Bijenkorf-directeur Van der Wal, lid van de Rotterdamse Commissie Stadsverfraaiing, zag die sculptuur in 1963 en was zo onder de indruk van de monumentaliteit ervan, dat hij bepleitte een soortgelijke betonnen sculptuur voor Rotterdam te kopen. Daarop deed de Commissie Stadsverfraaiing het voorstel om een twaalf meter hoge sculptuur van Picasso en Nesjar in de Kralingse Hout te plaatsen, een groengebied in het noordoosten van Rotterdam. Maar kort nadat ook Picasso zelf met het plan instemde, werd het weer ingetrokken onder druk van de publieke opinie. In tegenstelling tot de wethouder cultuur wilde de bevolking geen ‘betonkolos’ in het groen. Overigens herzag ook de wethouder haar mening, nadat ze een verwant beeld Vogel had gezien, dat in 1965 in het Vondelpark in Amsterdam was geplaatst. Het had een niet al te gunstige indruk op haar gemaakt. Niettemin deed de Commissie Stadsverfraaiing in maart 1966 opnieuw een poging een sculptuur van Picasso te verwerven. Picasso en Nesjar stelden in 1967 voor om een betongravure van Sylvette te maken, als uitvergroting van de kleine blikken sculpturen van Picasso. Dit plan werd door de Commissie Stadsverfraaiing zelf ingetrokken uit angst voor een nieuwe rel. Toch verrees drie jaar later een Sylvette in Rotterdam, aan de voet van het Bouwcentrum, op de hoek Weena/Westersingel. De acht meter hoge en vijf meter brede platen van Sylvette zijn aan voor en achterzijde gezandstraald en brengen de ruimtelijkheid die Picasso in zijn kubistische werken weet op te roepen, opnieuw naar voor.

Rotterdam heeft haar Sylvette te danken aan C(ommuncatie) ’70, een manifestatie ter herdenking van de Tweede Wereldoorlog en ter viering van de wederopbouw van Rotterdam. Het beeld van Picasso moest het moderne en vooruitstrevende karakter en de grootsteedse alllure van de stad Rotterdam onderstrepen. Het Bouwcentrum kocht het werk in 1971 aan en schonk het vervolgens aan de gemeente. Maar de Rotterdamse Sylvette bleef lange tijd een geschenk dat protest uitlokte. Dit keer was het niet de bevolking die protesteerde tegen het beeld, maar waren het jonge kunstenaars uit de stad. Zij maakten vooral bezwaar omdat zij meenden dat de gemeente Rotterdam niet een door Picasso geautoriseerd en door Nesjar uitgevoerd werk had gekocht, maar eerder een op Picasso geënt werk van Carl Nesjar. Het is opmerkelijk dat zulke geluiden niet uit andere landen kwamen waar Nesjar en Picasso betongravures plaatsten. In New York, waar sinds 1968 een Sylvette prijkt voor de New York University is het auteurschap geen kwestie en is men ronduit trots op het beeld.

De afgelopen decennia is de situatie rondom de Sylvette drastisch gewijzigd. De artistieke twisten om het beeld zijn al lang geluwd, maar het beeld wordt nu steeds meer aan het oog onttrokken. De ingangspartij van het Bouwcentrum is verplaatst, de muur achter Sylvette kreeg een lichte kunststof beplating in plaats van de rode baksteen en de bomen die het beeld flankeerden zijn aanzienlijk gegroeid. De allure die het beeld ooit had, is tanende. Misschien is de Rotterdamse Sylvette toe aan een nieuw leven elders in de stad.

[Sylvette werd in 20..verplaatst naar de Westersingel, en staat nu in de nabijheid van Museum Boijmans van Beuningen]

literatuur:
Adrichem, J. van; De ontvangst van de moderne kunst in Nederland 1910 – 2000, Picasso als pars pro toto, 2001O
Online picasso project op www.tamu.edu/mocl/picasso/ tour/t54.html
Een selectie van teksten over de Sylvette-serie van:
Daix, P., Picasso, 1965
Daix, P., Picasso: Art & Life, 1993
Gallwitz, K., Picasso 1954-1973, 1985
Warncke, C-P. en Walther, I.F., Pablo Picasso 1881-1973, 1995

Dossier

Sylvette

Claudine Hellweg In het voorjaar van 1954 ontmoette Pablo Picasso de twintigjarige Sylvette David. Picasso was toen 73 jaar oud en had gedurende alle periodes van zijn kunstenaarschap het vrouwenportret in ere gehouden. Sylvette was de belichaming van een type vrouw dat Picasso in feite al een jaar uit het hoofd tekende: een jong meisje


  • Geen artikelen gevonden

  • Geen aankomende evenementen gevonden.