Zonder Titel


Zonder Titel
Zonder Titel (1970) - Hofpleintheater aan de Benthemstraat , foto Jannes Linders

Het kunstwerk

Het titelloze glas-in-betonreliëf naar een ontwerp van Karel Appel is als een doorlopende band boven de ingang van het Hofpleintheater geplaatst, een zogenaamd fries. Het informele werk staat in sterk contrast met de zakelijke bouwstijl van het grootschalige scholencomplex, het Technikon, waar het Hofpleintheater onderdeel van is. Karel Appel’s vormen zijn speels en grillig, de kleuren contrastrijk en fel. Aan de buitenzijde vraagt het vrolijke lijnenspel in het beton de meeste aandacht, binnen is de kleurenpracht van het licht dat door het gekleurde glas valt overweldigend.

De vorm en inhoud van het werk hebben duidelijke overeenkomsten met de schilderijen van Appel uit dezelfde periode. De indeling van het langwerpige vlak wordt gevormd door de speelse belijning van het betonreliëf. De compositie lijkt op het eerste gezicht abstract en organisch maar details als uitpuilende ogen en monden suggereren verschillende figuren. De contouren van het betonreliëf zijn ingevuld met meerdere, tegen elkaar geplaatste gekleurde glasplaten. Ook het kleurgebruik sluit aan bij Appels schilderwerk uit dezelfde tijd. De stijl van de jaren 1950, waarin de nadruk lag op de materie van de verf, had Appel al achter zich gelaten. Hij ontwikkelde een nieuwe werkwijze waarbinnen hij gladde, egale kleurvlakken tegen elkaar plaatste en zo de intensiteit van de kleuren benadrukte.

In hetzelfde jaar dat zijn glas-in-betonreliëf werd onthuld (1970) had Karel Appel een tentoonstelling in het Centraal Museum te Utrecht met als titel Appels Oogappels. In onderstaand filmpje geeft hij zelf uitleg bij de schilderijen.


Specificaties

meer specificaties »

De Plek

Rotterdam maakte van dichtbij kennis met het werk van CoBrA-kunstenaar Karel Appel in 1950 op de manifestatie Rotterdam Ahoy. De nog onbekende Appel was uitgenodigd om hiervoor een werk te vervaardigen. Dat resulteerde in een twintig meter hoge, expressieve sculptuur, vervaardigd uit triplexplaten in felle kleuren, die de levensboom van de stad Rotterdam moest verbeelden.
Appel was voor deze opdracht gevraagd door de architect Jaap Bakema, die de manifestatie inrichtte. Op de volgende grote manifestatie in Rotterdam, de ‘E55’, werd Appel wederom door Bakema uitgenodigd een bijdrage te leveren. Ditmaal beschilderde hij bij de entree van het terrein een honderd meter lange buitenwand van een paviljoen in felle kleuren. De schildering vormde een impressie van de levensdrift van de mens. In 1960 vervaardigde Appel, opnieuw in opdracht van Bakema, ter gelegenheid van de land- en tuinbouwtentoonstelling Floriade een reliëf van circa veertig meter lang. Ook dit was een tijdelijk werk, dat na afloop van de tentoonstelling werd afgebroken.
Met de groeiende bekendheid van Appel ontstond in Rotterdam de behoefte aan een permanent, monumentaal kunstwerk van zijn hand. In 1963 werd Appel op voorspraak van architect H. Maaskant benaderd voor een kunstopdracht aan de hoofdgevel van het nieuwe scholencomplex Technikon. De opdracht viel binnen de percentageregeling voor de beeldende kunst, die in 1960 formeel was ingevoerd. Het eerste ontwerp – voor gebrandschilderd glas – viel goed in de smaak maar de uitvoering werd te kostbaar geacht. Appel maakte een nieuw ontwerp, nu voor een glas-in-betonreliëf. Tussen 1964 en 1970 werd het vervaardigd. In 1970 werd het reliëf door Koningin Juliana onthuld.

Karel Appel

Karel Appel

Karel Appel (1921-2006) werd in de Amsterdamse Dapperstraat geboren. Toen hij vijftien jaar was, wilde hij al kunstenaar worden. Hij volgde van 1942 tot 1944 schilderlessen aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Het eerste naoorlogse werk van Karel Appel was experimenteel, maar nog geïnspireerd door de moderne klassieken. Een bezoek aan Parijs in 1947 bracht een ommekeer: Appel ondervond invloed van Jean Dubuffet, de primitieve kunst en het surrealisme. Hij meende dat kunst de menselijke geest zou bevrijden.

Met onder andere Constant, Corneille en Asger Jorn richtte hij in 1948 de internationale kunstenaarsgroep CoBrA op. De leden predikten het standpunt dat creativiteit niet een privilege is van professionele kunstenaars, maar ook huist in kinderen en volkskunstenaars. Binnen CoBrA ontwikkelde Appel een expressieve vorm van schilderen, gebaseerd op primitieve kunst en kindertekeningen. Hij gebruikte figuratieve elementen, maar nam totale vrijheid in de vormentaal. Zijn beeldhouwwerk in die periode bestond uit assemblages.

Rond 1965 bestond Appels ruimtelijke werk uit beschilderde houten reliëfs en vrijstaande beelden. In de jaren 1970 maakte hij dieren, figuren en koppen uit roestvrij staal en geglazuurd keramiek. Midden jaren 1980 vervaardigde hij ruimtelijke werken van hout en touw, waarin hij grote polaroidfoto’s verwerkte. Van 1989 stelde hij beelden samen uit voorwerpen en objecten, afkomstig uit uiteenlopende culturen. Appel voerde ook monumentale opdrachten aan gebouwen uit, in diverse technieken. Bekend zijn vooral de muurschilderingen in het Stedelijk Museum te Amsterdam en het Unesco-gebouw in Parijs, evenals de keramische tegelwanden van het congresgebouw te Den Haag.

In Nederland werd het werk van Appel aanvankelijk slecht ontvangen. Wegens gebrek aan waardering vertrok Appel in 1950 uit Nederland, om eind jaren 1950 internationaal door te breken. Hij woonde tot 1965 in Parijs en van 1965 tot 1972 in Auxerre. Daarna woonde en werkte hij zowel in New York als Toscane. Karel Appel overleed op 3 mei 2006 in Zürich.

Zonder Titel


Rogier Schumacher

Van de Nederlandse kunstenaars die in 1948 tot de oprichters van de Cobra-beweging behoorden, heeft waarschijnlijk niemand zo radicaal uiting gegeven aan de experimentele grondslag van die beweging als Karel Appel. Zijn werk heeft van meet af aan in het teken gestaan van het zoeken naar nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden. Hoewel hij vooral als schilder bekend is, heeft Appel ook altijd met andere media en technieken geëxperimenteerd.

Hoewel Appel vooral als schilder bekend is, heeft hij ook altijd met andere media en technieken geëxperimenteerd. Vanaf het midden van de jaren 1940, toen hij de Amsterdamse Rijksacademie verliet, heeft hij de meest uiteenlopende overgangsvormen tussen picturale en sculpturale ruimte, tussen schilderij en driedimensionaal object, op hun mogelijkheden beproefd. Behalve op media en technieken heeft Appels hang naar materiële expansie ook altijd betrekking gehad op de schaal van het werk: naarmate zijn ervaring groeide en zijn economische omstandigheden verbeterden werden zijn werken steeds groter.

Legendarisch is een performance uit 1958 waarin Appel, hangend aan een helicopter, vanuit de lucht hondervijftig vierkante meter papier onder zich met druipende verf te lijf ging. Ook Appels belangstelling voor monumentale opdrachten, die hij met de groei van zijn reputatie na het midden van jaren vijftig steeds meer ontving, kan mede worden verklaard uit zijn behoefte aan ruimtelijke expansie en het oprekken van de mogelijkheden tot expressie. Al in een van zijn vroegste monumentale werken, de decoratie van de foyer van het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1949, blijkt Appels neiging de ruimte met zijn kwast te willen veroveren: De kinderlijk-fantastische mens- en dierfiguren doorbreken de grenzen van de muurvlakken en woekeren vrolijk voort over plafond en deuren.

In Rotterdam realiseerde Appel tussen 1950 en 1972 zeven monumentale werken, waarvan vier permanent en drie met een tijdelijk karakter. Aanvankelijk was het vooral Jaap Bakema – de architect van groots opgezette bouwprojecten en manifestaties die na de oorlog Rotterdams dynamische elan tot uitdrukking brachten – die de kunstenaar bij zijn projecten betrok. Bakema daagde Appel uit zijn drang naar het bovenmaatse vorm te geven in reusachtige ruimtelijke constructies en schilderingen. De meest tot de verbeelding sprekende zijn ongetwijfeld de Levensboom, een twintig meter hoge, stekelige assemblage van beschilderde triplexplaten ter gelegenheid van Rotterdam Ahoy’ (1950), en de Energiemuur, een honderd meter brede muurschildering in het kader van de manifestatie E ‘55. Het laatste werk dat Appel in opdracht van Bakema uitvoerde, een veertig meter lang reliëf voor de Floriade van 1960 had net als de eerdere twee een tijdelijk karakter. Van permanente aard zijn de wandkleden voor Levensverzekeringsmaatschappij Utrecht (1961) en Europoint (1972), een keramische tegelfries voor de Economische Hogeschool Rotterdam (1966/67) en het glas-in-betonreliëf dat Appel in 1964 voor de entree van het Hofpleintheater ontwierp.

Dat reliëf voegt zich wat schaal betreft in de reeks eerdere Rotterdamse projecten. Door zijn afmetingen – zes bij vierentwintig meter – en de nadrukkelijke plastische uitwerking is het een markant accent in de 220 meter brede gevel van het gebouw. Het Hofpleintheater maakt bouwkundig deel uit van het ‘Technikon’, een grootschalig scholencomplex, ontworpen door het Rotterdamse architectenbureau Maaskant, Van Dommelen, Kroos en Senf. Het complex, een superstructuur bestaande uit drie onderling geschakelde gebouwen in een U-formatie, kwam tot stand tussen 1961 en 1970. In de bouwbegroting was in het kader van de percentageregeling een budget opgenomen voor de realisatie van beeldende kunst. Gezien de hoge bouwsom van het project was dit budget zeer aanzienlijk. De betrokken partijen waren het erover eens dit aan één beeldbepalend werk te besteden. Na verschillende locaties voor een vrijstaande sculptuur in overweging te hebben genomen, gaf men uiteindelijk de voorkeur aan een hoofdzakelijk tweedimensionaal werk boven de ingang van het Hofpleintheater, op het binnenplein van het complex. Op voordracht van architect Hugh Maaskant, die al sinds de vroege jaren vijftig contacten met Appel onderhield, benaderde de gemeente Rotterdam de kunstenaar in 1963 of 1964 voor oriënterende gesprekken. Appels eerste ontwerp, een wand van gebrandschilderd glas, werd enthousiast ontvangen. De vervaardiging ervan bleek evenwel technisch zeer gecompliceerd en daardoor financieel niet haalbaar. In de zomer van 1964 presenteerde Appel een maquette van een aangepast ontwerp, dat de technische complicaties van het eerdere plan onderving door het glas in een betonskelet te vatten. De uitvoering van dat skelet, eind augustus 1969, was in handen van Dura, het aannemersbedrijf dat het ‘Technikon’ bouwde. Het gebrandschilderde glas werd geleverd door de Amsterdamse glasfabriek Van Tetterode, Appels vaste partner in glasprojecten. Het betonskelet werd op de bouwlocatie afgegoten in een tweedelige houten mal. Twee bouwkranen waren vervolgens nodig om beide delen, die samen zestig ton wegen, op hun plaats te takelen en onderling te verbinden. Daarna brachten medewerkers van Van Tetterode de platen gekleurd glas aan. In mei 1970, zo’n zes jaar na de totstandkoming van het ontwerp, werd het reliëf door koningin Juliana onthuld.

Het glas-in-betonreliëf geeft op een onnadrukkelijke maar inventieve manier uiting aan Appels neiging plastische en picturale beeldelementen in één werk te samen te brengen. Het dragende betonskelet vervult een tweeledige beeldende functie: het grillig vertakte raamwerk organiseert het platte vlak en bouwt de voorstelling op, maar de afwisselend terugspringende en uitstulpende betonelementen geven de wand tevens een bijna sculpturaal karakter. Binnen de betonnen kaders heeft Appel de voorstellingselementen nader uitgewerkt met verschillende, onderling contrasterende felle kleuren glas. Uit de ogenschijnlijk organisch-abstracte compositie doemen vier of vijf kolossale, rudimentair aangeduide mens- of dierfiguren op, soms alleen gesuggereerd door grote ronde ogen. Samen vormen de door elkaar buitelende gestalten een burleske feeststoet, die zich links en rechts buiten de beeldkaders lijkt voort te zetten.

Formeel/thematisch houdt het reliëf duidelijk verband met Appels autonome werk uit het midden van de jaren zestig. De combinatie van twee- en driedimensionale beeldelementen hangt het nauw samen met de beschilderde multiplexreliëfs die hij in zijn Franse atelier maakte. Het vorm- en kleurgebruik haakt aan bij zijn schilderijen en grafiek uit die tijd. Onmiskenbaar onder invloed van de pop art verliet Appel rond die tijd de dynamische verfopbreng, de nadruk op de materie en de vaak onheilspellende sfeer die zijn post-Cobra schilderijen kenmerkt, voor een sterk vlakmatige beeldopbouw in grote egaal behandelde kleurvelden en een bont coloriet. De uitdrukkingskracht van deze aspecten, waartoe de glastechniek zich bij uitstek leent, is in het Rotterdamse reliëf optimaal.

Behalve aan Appels idioom uit de Cobra tijd refereert het reliëf op associatief niveau aan een historische beeldformule. Door het breedgerekte formaat, de iconografie van een groep nevengeschikte figuren en de plaatsing boven een portaal, is het een eigentijdse interpretatie van het fries uit de oudheid. De sfeer die dit fries door zijn voorstelling en coloristische uitbundigheid ademt, is evenwel eerder speels en feestelijk dan heroïsch of sacraal. In die hoedanigheid sluit het wonderwel aan op de huidige functie van de locatie: die van een kindertheater.

literatuur:
Anoniem, zonder titel, Dura trefpunt 19 mei 1970.
Fluks, M., M. Vink, S. Umberto Barbieri (red.), Architect H.A. Maaskant (1907-1977), Amsterdam 1983.
Houts, C. van, Karel Appel. De biografie, Amsterdam 2000.
Reinhartz-Tergau, E., ‘Het monumentale werk van Karel Appel’, in: tent.cat. Karel Appel, Den Haag (Galerie Nova Spectra) 1981
Stokvis, W., ‘Karel Appel’, in: tent.cat. Cobra 3 dimensionaal, Amstelveen (Cobra Museum voor moderne kunst) 1998.
Stokvis, W., Cobra. De weg naar spontaniteit, Blaricum 2001
(oorspronkelijke uitgave: Amsterdam 1974).

Dossier

  • Geen aankomende evenementen gevonden.