Dossier

Nationaal gastarbeidersmonument | ontwerp 2010


Hans van Houwelingen en Mohamed Benzakour

Voorwoord
In 2007 nam de Turkse Sociaaldemocratische Federatie, met afvaardiging in de gemeenteraad van Rotterdam, het initiatief voor de oprichting van een monument in Rotterdam voor de eerste generatie gastarbeiders. Voordat deze generatie helemaal is verdwenen verlangen de nazaten van deze gastarbeiders een eerbetoon voor hun bijdrage aan de samenleving. De initiatiefgroep breidde zich uit met migrantenorganisaties uit andere gastarbeiderlanden en kunstorganisaties en verenigde zich in een stichting. In 2009 werd een commissie samengesteld die aan de schrijver Mohammed Benzakour, zoon van een van de eerste Marokkaanse gastarbeiders, en beeldend kunstenaar Hans van Houwelingen de opdracht gaf een monument te ontwerpen, dat uitdrukking geeft aan de betekenis van de gastarbeiders voor Rotterdam.

Tijdens de wederopbouw deden Rotterdamse bedrijven in eerste instantie een beroep op arbeiders uit de regio en andere delen van Nederland. Vanaf het midden van de jaren vijftig werden arbeidskrachten ook buiten Nederland gezocht, met name in de landen rond de Middellandse Zee. Deze Nederlandse, Italiaanse, Spaanse, Joegoslavische, Griekse, Turkse en Marokkaanse gastarbeiders worden in het gastarbeidermonument – waarvan hieronder een beschrijving volgt – nationaal geëerd.

Gastarbeiders in Rotterdam
In de jaren vijftig van de vorige eeuw ontstond in de West-Europese industrielanden een grote behoefte aan extra arbeidskrachten. Er was in het westen vooral vraag naar mensen die bereid waren het zware, onregelmatige, vaak vieze en relatief slecht betaalde werk te verrichten waarvoor de eigen, doorgaans beter geschoolde bevolking, geen belangstelling had. De lokale bevolking profiteerde van de schaarste op de arbeidsmarkt en zocht naar beter betaalde banen. Rotterdamse bedrijven deden in eerste instantie een beroep op arbeiders uit de regio en andere delen van Nederland. Vanaf het midden van de jaren vijftig werd de zoektocht naar arbeidskrachten buiten Nederland voortgezet, in het bijzonder in het Middellandse-Zeegebied. De eerste grote groepen buitenlandse werknemers kwamen vooral uit Italië, iets later ook uit Spanje. Als gevolg van remigratie nam na 1975 hun aantal weer sterk af. Op dat moment vormden de Turken en de Joegoslaven de grootste groep en groeide het aantal gastarbeiders uit Marokko.
De meeste gastarbeiders die in de beginperiode naar Rotterdam migreerden, waren naar Nederland gehaald op basis van wervingsakkoorden die de ministeries van Sociale Zaken en Justitie met landen in het Middellandse-Zeegebied hadden gesloten. Vanaf het midden van de jaren zestig trokken ook veel gastarbeiders op goed geluk naar Rotterdam, waaronder relatief veel Turken die de depressie in de Turkse mijnbouw en textielindustrie ontvluchtten en jonge Marokkanen, overwegend afkomstig uit het arme Rifgebergte in Marokko. Ten tijde van de oliecrisis en de economische depressie in 1974 maakte de Nederlandse overheid een eind aan het officiële gastarbeiderschap. Vanaf dat moment vond migratie vooral plaats in het kader van de overheidsregeling voor gezinshereniging. Nu, enkele generaties later, bestaat de Rotterdamse bevolking voor een groot deel uit het nageslacht van de eerste generatie gastarbeiders. Migratie is inmiddels een fel bediscussieerd nationaal, en zeker ook Rotterdams, thema. Migratie wordt nauwelijks in verband gebracht met de gastarbeid die door Nederland gretig werd verorberd en geruisloos is geabsorbeerd, laat staan met het bloed zweet en tranen van de gastarbeiders.

Historische achtergrond
Na het bombardement in de 2e wereldoorlog herrees Rotterdam vanuit het puin in de thans modernste stad van Nederland. Rotterdam kreeg ervan langs, balde zijn vuist en kwam er beter uit tevoorschijn. De wederopbouw getuigt van kracht, moed, opoffering, onverzettelijkheid, en vooral werklust van de bevolking. De naam van de stad zelf – Rotterdam – werd een verpersoonlijking van de arbeid waarmee de stad is herbouwd. Het zicht op wie die mensen waren die deze arbeid verrichtten is verdwenen, met als gevolg dat de beeldvorming over hen politiek gekleurd is: om te passen in de perceptie van het heden.
‘De hardwerkende Nederlander’ is een populaire kreet in de hedendaagse politiek. Politieke partijen suggereren dat het land wordt opgebouwd door hardwerkende Nederlanders. Hoe iemand precies bijdraagt aan de opbouw van het land is niet aan de orde, vandaar dat ‘hard werken’ het als politieke slogan goed doet en een electoraat meebrengt dat zichzelf als harde werkers beschouwt. De terloopse gelijkschakeling van hard werken met Nederlanderschap maakt zelfs een werkeloze Nederlander trots op zijn verdienste voor het land, iedere niet- Nederlander daarentegen mist die verdienste, óók als hij hard werkt.

De geschiedenis van Rotterdam, voorgesteld als de vereende kracht van hardwerkende Nederlanders, werkt als bevestiging voor de politieke actualiteit. Politieke programma’s over het terugdringen van migratie zijn gebaat bij een migrantenloze geschiedenis. In de gangbare lezing van de Rotterdamse geschiedenis van hard werken speelt gastarbeid daarom geen rol.
Iedereen kent de uit de as verrezen Rotterdamse feniks, maar wie heeft hem echt gezien?

Initiatief
De eerste gastarbeiders die vanaf de tweede helft van de jaren vijftig naar Rotterdam kwamen om te werken en een toekomst op te bouwen zijn nu bejaard of dood. Hun nazaten eisen van de samenleving erkenning van het gastarbeiderschap en zoeken een manier om hun waardering voor hun vaders te tonen. Een monument is het meest gecultiveerde product om vorm te geven aan die wensen, het hoort bij de uitrusting van de maatschappij. Het erkent de misstand en doet de suggestie hier een moment bij stil te staan. Daarentegen is het monument politiek gezien tevens een instrument juist voor de orde van de dag, om ervan af te zijn, immers de kwestie wordt door het monument behartigd. In het beste geval zegt een traditioneel monument hier dat het onterecht is dat gastarbeiders niet zijn opgenomen in de geschiedenis van Rotterdam. De geschiedenis – ‘de spirit van de mensen in Rotterdam en het wonder van een uit het puin rijzende moderne stad’ – blijft evenwel die van de hardwerkende Nederlander.

De focus van ons ontwerp ligt precies hier. Het monument dat wij voorstaan wantrouwt de eigenschappen van het traditionele monument, het weigert een geschiedenis te bevestigen die de rol van gastarbeid ontkent en het wil geen embleem zijn van misstand. Wat het wel doet is de geschiedenis vanuit een ander perspectief her’denken’ of beter gezegd, de geschiedenis in een ander spectrum laten zijn.

Ontwerp
Op het Afrikaanderplein in Rotterdam-Zuid, een van de buitenwijken van stad waar grote groepen gastarbeiders waren gehuisvest, wordt in negen talen op vensters in een gesloten hekwerk rondom het park op het plein het gastarbeidermonument aangekondigd met een tekst. Hier in de ‘periferie’ van Rotterdam dicht de schrijver Mohammed Benzakour, zoon van een Marokkaanse gastarbeider, over de wensdroom van de gastarbeiders, die in de periferie van Europa droomden van een toekomst in het geïndustrialiseerde westen (1).

De uitkomst van die wensdroom voert naar het centrum van de stad, naar het constructivistische kunstwerk van Naum Gabo voor de Bijenkorf op de Coolsingel, dat al drieënvijftig jaar de geschiedenis van Rotterdam herbergt en waarin zich vanaf heden het Nationaal Gastarbeidermonument manifest gaat maken.
Kort na de oorlog kwamen de eerste gastarbeiders, aanvankelijk vanuit de regio, naar Rotterdam. Het moment van de plaatsing van het kunstwerk van Naum Gabo in 1957 viel samen met de komst van de eerste generatie buitenlandse gastarbeiders. Het kunstwerk was ooggetuige van die Rotterdamse geschiedenis, maakte alles mee, bekeek de wederopbouw daarna vanuit een eigen, dwars, maar niettemin realistisch perspectief. Het was getuige van gastarbeiders die, om hun idealen te verwezenlijken, naar Rotterdam kwamen om de arbeid te verrichten waar de stad niet buiten kon. Meer dan een halve eeuw later doorbreekt het kunstwerk van Gabo het zwijgen door zich uit te spreken over een wereld die globaliseert, waarin gastarbeiders pionierden.
Hedendaagse gastarbeiders, toptechneuten, gaan het thans in deplorabele staat verkerende kunstwerk restaureren, het weer in topconditie brengen en er het Nationaal Gastarbeidermonument in huisvesten (2).

Toelichting
Gabo’s idee, dat het kunstwerk een uit het puin herrezen moderne stad en de spirit van de mensen symboliseert, krijgt na meer dan een halve eeuw gestalte door een symbiotische conjunctie met de gastarbeiders: de verroeste sculptuur wordt door hen in oude glorie hersteld en op zijn beurt spreekt het beeld zich uit als historische getuige van de gastarbeid.
De bevolking heeft Gabo’s kunstwerk daarvoor nooit een betekenis willen toekennen, zoals dat bij het beeld van Zadkine wel het geval is. De sculptuur had slechts bijnamen, zoals het ding, de bloem, de boom of de banaan. Gabo werd verweten dat hij er niet in was geslaagd zijn kunstwerk de betekenis te geven die hij pretendeerde. Gabo’s werk was geworteld in het modernisme, in het ideaal van een andere, betere wereld, maar zijn ‘Bijenkorf constructie’ kreeg nooit een publieke erkenning. Het ging al mis tijdens de oprichting van het beeld. Gabo kreeg de opdracht omdat er een conflict moest worden opgelost tussen de stedenbouwkundige Van Traa, die de rooilijn van de Coolsingel wilde continueren, en architect Breuer, die de gevel van zijn Bijenkorf daarvoor niet wilde aanpassen. Dat vond de bevolking geen goede reden voor het plaatsen van een kunstwerk. Gabo’s sculptuur was daarom in de ogen van veel Rotterdammers een praktisch ding, zonder betekenis of inhoud: een ‘monument om jassen te verkopen!’ Daar kwam bij dat men in de vijftiger jaren niet geloofde dat een abstract kunstwerk een specifieke betekenis kon hebben. Critici vonden dat een beeld een duidelijke afbeelding moest zijn, of zinnebeeldig zijn onderwerp moest representeren. In intellectuele kringen werd het constructivisme dat rond 1913 in Rusland was ontstaan, waarvoor Tatlin, Rodchenko, Pevsner en Gabo de basis legden, in politiek opzicht als mislukte ideologie beschouwd. Gabo werd door critici gemaand zijn Russische moderne opvattingen maar beter thuis te laten. In zekere zin ondervond hij ook wat het was om gastarbeider in Rotterdam te zijn. Zijn idee dat het geheel abstracte beeld de spirit van de wederopbouw zou symboliseren werd niet gedeeld en bleef verscholen in het staal.
Waarschijnlijk is dit de reden waarom het kunstwerk zich thans in een deplorabele staat bevindt. Het werk bleef anoniem waarmee veel animo om het goed te onderhouden ontbrak. Gabo gebruikte nieuwe materialen, maar de combinatie van brons op ijzer was geen gelukkige. Het beeld had al sinds de beginjaren corrosieproblemen en al in 1960 volgde een restauratie. Op dit moment prijkt een van de belangrijkste naoorlogse kunstwerken in de openbare ruimte in staat van verval. De gemeente Rotterdam kreeg het kunstwerk enige tijd geleden aangeboden van de huidige eigenaren maar weigerde het aan te nemen vanwege de slechte staat waarin het beeld verkeert.

Mohammed Benzakour en Hans van Houwelingen verzoeken Rotterdam wederom een beroep te doen op gastarbeiders. Vaklieden, hedendaagse gespecialiseerde gastarbeiders die het beeld restaureren en het weer in topconditie brengen. Zij benaderen de wederopbouw spiegelbeeldig. Deze keer wordt het monument wederopgebouwd, verrijst het zelf uit de puinhoop van zijn slechte conditie. Hedendaagse gastarbeiders werken als het ware in de tijd terug de andere kant op, de geschiedenis in, brengen het kunstwerk weer terug in de situatie waarin het glorieert. Dat is het moment waarop het nageslacht hun vaders de hand reiken, in een tijdloze arbeidsovereenkomst: dat is het moment waarop het gastarbeidermonument ontstaat.
Dit onorthodoxe traject leidt tot een monument dat de geschiedenis ontkent die de gastarbeid ontkent. Een monument dat geen klaagzang is over misstand, maar een manifest voor het behoud van dit belangrijke Rotterdamse erfgoed: het gastarbeidermonument huist in Gabo’s kunstwerk, waar het feitelijk onzichtbaar is maar essentieel voor zijn voortbestaan. In dit monument wordt niet de gastarbeid verwoord, maar is de gastarbeider aan het woord. Restauratie van het vervallen kunstwerk van Naum Gabo is ex aequo de oprichting van het gastarbeidermonument.
Uiteindelijk heeft iedereen baat bij deze onderneming. Het monument drukt visueel geen stempel op de Gabo, maar is op de meest radicale wijze geïntegreerd, zelfs onzichtbaar – het kunstwerk stond er immers al. In vergelijking met monument van Zadkine, dat de wederopbouw symboliseert ten opzichte van de oorlog en de vijand, is de symboliek in het gastarbeidermonument geheel abstract. De ‘betere wereld’ in dit monument heeft geen tegenpool, contrapunt of vijand, maar impliceert samenleving in brede zin, visualiseert zelfs letterlijk een eind aan onderscheid.
Gabo heeft over zijn beeld gezegd dat het organisch is, en het daarom openstaat voor toekomstige interpretaties. Het debat na openbaring van dit plan zal uitwijzen of Nederland bereid is het nationaal monument voor de gastarbeider in gastvrijheid te ontvangen en het wereldberoemde kunstwerk van Gabo deze monumentenstatus toe te kennen. Een jaarlijks symbolische ontvangst van ‘gasten’ op de Coolsingel bij het Nationaal Gastarbeidermonument, d.m.v toespraken van politici, denkers, of andere prominenten, zou de droom van de gastarbeiders van het eerste uur vervullen.

Verantwoording
In ons plan worden de in politiek opzicht comfortabel gerangschikte kaarten van de geschiedenis, de wederopbouw van Rotterdam, de naoorlogse kunst in openbare ruimte en het instrument ‘monument’ opnieuw geschud, met als gevolg een in enige of hoge mate verstoorde historische continuïteit. Deze opschudding – vergelijk het met een kussen – brengt het gastarbeiderschap gedurende de wederopbouw aan het licht, die aan de geschiedenis en de betekenis van de sculptuur van Gabo wordt gekoppeld. Gastarbeiders restaureren dit kunstwerk in een in zeker opzicht oncomfortabele genereuze geste. Genereus vanwege de bijdrage aan het behoud van dit belangrijke cultuurgoed. Oncomfortabel vanwege het tevoorschijn komen van hun aanwezigheid in dit monument en de huidige politieke historische consensus – migratie en wederopbouw liggen elkaar niet lekker in het huidige klimaat – die daarmee wordt verstoord. Geschiedenis wordt immers altijd gecomponeerd naar aanleiding van het heden en als een garantie voor de toekomst (3).

De kritiek (van Sculpture International Rotterdam) dat het beeld wordt aangetast – terwijl roest dat al decennia doet -, dat anderen worden uitgesloten als het gelabeld wordt als gastarbeidermonument, dat Rotterdam kortom wordt opgezadeld met een politieke kwestie, is even begrijpelijk als ongegrond in de onvermijdelijkheid dat dit ontwerp voorbij het comfort van zijn initiatiefnemers moet gaan als de stad in oprechtheid een gastarbeidermonument wil huisvesten. Ons voorstel verschuilt zich niet in consensus of multiculturele retoriek, zoals dat bij dit onderwerp voor de hand ligt, maar maakt een machinerie van insluitingen en uitsluitingen zichtbaar in het heden door de geschiedenis letterlijk te her-denken. Het streven is te voorkomen dat het gastarbeidermonument door een variant op ‘zij en ons zijn samen wij’ politiek verkwanseld wordt; de historische rimpel in het gelaat van de geschiedenis weer wordt gladgestreken en de geschiedenis zijn gemoedelijke loop herneemt. Het is belangrijk dat we niet een schijnhuwelijk met de medelander neerzetten, maar een veranderde geglobaliseerde wereld tonen, waarin gastarbeiders pionierden, zelfs als dat oncomfortabel is vanwege zijn proclamatie van discontinuïteit – de inbreuk op het identiteitsgevoel. Het gastarbeidermonument neemt zijn plaats in de geschiedenis van de wederopbouw en in een wereld die uit de puinhopen van de oorlog is herrezen. Het past Rotterdam als 21e eeuwse metropool zich daarin te schikken.

Hans van Houwelingen

DROOM | Mohammed Benzakour
Opgedragen aan de Gastarbeider

In den beginne was de Droom

Doorkruiste de zee, verruilde de hemel
Zijn grond bleef zijn grond

Zon op de rug, d’ogen bewolkt
Zijn maan bleef zijn maan

Het been versteend, de voet verroest
Zijn ziel bleef zijn ziel

Toen, zweet droogde op, plantte ‘n hand
Zijn schouders beroerden de onze
En we bouwden, we bouwden

Een toren in de lucht
Huis in de hemel
Een nieuwe droom…

In den beginne was de Droom, en de Droom is bij ons

(1) Mohammed Benzakour
(2) Op 17 februari 2010 werd het ontwerp unaniem positief beoordeeld door de opdrachtgevers, waarin vertegenwoordigers zitting hadden van:
Centrum Beeldende Kunst Rotterdam, externe artistieke adviseurs over in kunst in de openbare ruimte, het Historisch Museum Rotterdam, leden van de Rotterdamse gemeenteraad, Platform Buitenlanders Rotterdam, Welzijn Charlois,
Turkse Sociaaldemocratische Federatie, Stichting Belangenbehartiging Migratie Nederland, vertegenwoordiging voormalige Griekse gastarbeiders, Feijenoord/Stichting Nieuwe Rotterdamse Cultuur, vertegenwoordiging instellingen aangesloten bij SMOR, vertegenwoordiging Moskee Zuid, Turks/Nederlandse milieu organisatie TEMA, MTNL, NOS/NPS.
(3) Mihnea Mircan – Monument to concomitance 2010

Mohammed Benzakour (schrijver)
Hans van Houwelingen (beeldend kunstenaar)

  • Geen aankomende evenementen gevonden.