Monument voor alle gevallenen 1940-1945

Sandra Spijkerman

De figuren in Mari Andriessens beeldengroep Monument voor alle gevallenen 1940-1945 zijn beslist niet klein, maar desondanks verdwijnen ze op het Stadhuisplein bijna in de ruis van terrassen en reclameborden. Bij de onthulling op 4 mei 1957 door prinses Wilhelmina was dat anders. Destijds keken de twee mannenfiguren van de groep direct uit over de nieuwe Lijnbaan, terwijl de vrouw nog onverstoord zicht had op het stadhuis aan de overzijde van de Coolsingel. Sterker door strijd behoort samen met De verwoeste stad van Ossip Zadkine tot de belangrijke oorlogsmonumenten van Rotterdam.

De plannen voor een monument ter nagedachtenis aan de gevallenen van de havenstad begonnen met een prijsvraag, uitgeschreven door het op 16 mei 1945 opgerichte Centraal Rotterdams Comité, later de Stichting Herrijzend Rotterdam. In februari 1947 werden de schetsontwerpen van de 34 inzenders in Museum Boymans getoond. Helaas voldeden die inzendingen niet aan de kwaliteitseisen van het comité. Er werd dan ook geen eerste prijs toegekend. Uiteindelijk vroeg het comité de architecten Oud en Kraayvanger een ontwerp te leveren. Tegelijkertijd droeg de Nederlandse Kring van Beeldhouwers, die haar leden had ontraden aan de prijsvraag deel te nemen, op eigen initiatief drie beeldhouwers voor: Han Richters, Paul Grégoire en Mari Andriessen. De laatste kreeg de opdracht, maar liet weten dat hij, gezien andere lopende opdrachten, het beeld niet op de gewenste datum van 12 april 1954 gereed kon hebben. Het eerste schetsontwerp dat Andriessen voor Rotterdam vervaardigde, laat een beeldengroep op een sokkel zien. In dit eerste ontwerp figureren een man en een vrouw die een kind in de lucht tillen en aan elkaar overdragen. Uit de schriftelijke reactie van C. van Traa, als directeur wederopbouw en stadsontwikkeling van Rotterdam betrokken bij de opdracht, bleek dat hij twijfelde of het beeld wel geschikt was voor het hart van “een wat harde stad”. Hij nodigde Andriessen uit bij hem te komen logeren en de sfeer van Rotterdam en de nieuwe Lijnbaan op te snuiven. Andriessen maakte daarna een tweede ontwerp, een beeld van één vrouw en twee mannen, maar vond dat nog te statisch. Hij voegde in een later stadium een kind aan de groep toe. Zo is het monument uiteindelijk gerealiseerd.

De voorstelling is zinnebeeldig te verstaan. De vrouw kijkt terug naar het schrijnende verleden. Met haar gebogen hoofd verwijst ze naar de pijn en de wanhoop die de oorlog had veroorzaakt. De man aan de andere zijde van het beeld kijkt naar de toekomst. Met de spade in de hand staat hij klaar om een bijdrage te leveren aan de wederopbouw. De man in het midden vormt een schakel tussen toekomst en verleden. Via het kind, dat half tegen de benen van de vrouw aanleunt, probeert hij de aandacht van de vrouw te trekken en haar als het ware los te maken van het verleden. Het kind kijkt hoopvol naar de man op. Waar de man in metaforisch opzicht een schakel vormt is het kind in formele zin een verbindend element tussen de figuren onderling en de verschillende kijkrichtingen binnen de beeldengroep. De plaatsing van de groep op het Stadhuisplein aan de Coolsingel is niet willekeurig. Het is een symbolische oriëntatie waarbij het beeld een verbinding legt tussen het oude Rotterdam met het stadhuis, dat als een van de weinige gebouwen ongeschonden uit het bombardement tevoorschijn kwam, en de Lijnbaan, het nieuwe centrum van het Rotterdam van de wederopbouw. De dichtregels van Clara Eggink die op de stenen sokkel zijn aangebracht, versterken dit idee: “Het werk des daags vraagt om een gave mens. Men moet de ramp om herstel vergeten. Zoals de zwermen op Uw havens, onafwendbaar keert de levensdrift. Toch stoelt Uw welvaart tevens ’t ontijdig graf van die nu van geen opbouw weten. Gedenk dees onherstelbaarheid – dan zal Uw nageslacht zijn brood in vrijheid eten.” Ondanks de dramatische gebeurtenissen waar de beeldengroep naar verwijst, oogt het beeld niet dramatisch, maar eerder verstild.

Tot de Tweede Wereldoorlog was Mari Andriessen in relatief beperkte kring bekend. Van huis uit katholiek kreeg hij zijn opdrachten voornamelijk van de katholieke kerk. Nadat hij in 1923 de Rijksacademie verliet, heeft hij vele reliëfs en kleine plastieken met bijbelse voorstellingen vervaardigd. De meeste van die kerkelijke kunst was aan de architectuur gebonden en tamelijk vlak en sterk gestileerd. Dat is niet zijn sterkste kant gebleken. In de tweede helft van de jaren dertig kreeg Andriessen voor het eerst opdrachten uit niet-katholieke kring. Andriessen begon zijn beelden te modelleren en voor het eerst ontstonden de vrijere en meer ruimtelijke sculpturen. In de loop der jaren benadrukte hij de gebaren en de houding van de uitgebeelde figuren, dit werd kenmerkend voor zijn naoorlogse werk. Doordat Andriessen tijdens de Tweede Wereldoorlog bij het verzet was betrokken, was het niet onlogisch dat juist hij na de oorlog werd gevraagd om monumenten ter nagedachtenis aan de slachtoffers te maken. De dokwerker, ter herinnering aan de Februaristaking van 1941 op het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam, is daarvan verreweg het bekendste voorbeeld. Het straalt een standvastigheid uit die in de meeste van Andriessens andere monumenten ontbreekt. Ook de Rotterdamse beeldengroep is door de min of meer metaforische opzet bedachter en minder kernachtig van aard dan haar Amsterdamse tegenhanger.

Literatuur
Louk Tilanus, De beeldhouwer Mari Andriessen, Weesp, 1984.
Wim Ramaker en Ben van Bohemen, Sta een ogenblik stil. Monumentenboek 1940/1945, Kampen, 1980.
Diverse krantenartikelen.

Publicatiedatum: 12/05/2015