Rotterdam Zuid- een onbegrepen utopie | Marinke Steenhuis

De Kabinetsbeslissing van 15 maart 2018 om 130 miljoen euro extra in Rotterdam-Zuid te steken heeft samen met de overspannen woningmarkt van deze jaren de laatste aarzeling bij marktpartijen weggenomen. Op Zuid wordt fors geïnvesteerd. Sinds 2010 draait het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid, een gebied met ‘on-Nederlandse problemen’ aldus de toenmalige adviescommissie. Sinds 2010 wordt er gewerkt aan onderwijs, werkloosheidsbestrijding, wijkverbetering en woningverbetering. Arna Mackic, co-curator van de eerste Rotterdam Triënnale, schrijft in de reader behorend bij de Eerste Rotterdam Triënnale (zie bijlage) dat Rotterdam Zuid gelaagd is, rijk, complex en ongrijpbaar. En dat, ondanks de vele negatieve berichtgeving over Zuid de bewoner van Zuid heel erg loyaal is aan Zuid. ‘Alleen de bewoner van Zuid weet wat Zuid daadwerkelijk is.’ In de recente cultuurhistorische analyses en filmportretten van mijn bureau SteenhuisMeurs van de wijken Afrikaanderwijk, Bloemhof, Hillesluis, Tarwewijk, Carnisse en Charlois, de wijken van ‘Rotterdam Oud-Zuid’ zo je wilt, hebben we geprobeerd door te dringen tot het eigene van Zuid. We ontdekten dat de linker Maasoever een opeenvolging van proeftuinen is. Een laboratorium van social en physical engineering, waar een sterke overheid tachtig jaar lang werkte aan een gelaagd stedelijk weefsel waar het welzijn van de bewoner centraal stond. Rotterdam-Zuid is de plek waar de gemeente zelf woningen bouwde voor de allerarmsten, waar moderne architecten volop experimenteerden, waar de havenbaronnen tuindorp Vreewijk voor hun eigen arbeiders realiseerden. Waar na de oorlog grootschalige lommerrijke tuinwijken als Pendrecht, Zuidwijk en Lombardijen werden gebouwd, en waar één cadans tot in alle huiskamers doorklonk: de cadans van de havens.

Social engineering
Het ontroerende en bijzondere van Zuid is dat er misschien wel nergens in twintigste-eeuws Nederland, op misschien de Zuiderzeepolders (1929-1985) na, op zo’n grote schaal geëxperimenteerd is met het bouwen en inrichten van een samenleving. Dat dat nauwelijks is opgemerkt en niet als bijzonder aspect wordt gezien, heeft te maken met het imago van Zuid. Zuid, dat was de ‘Boerenzij’, een bijnaam die het agrarische verleden in herinnering brengt, en tot ver in de twintigste eeuw werd gebruikt om de bewoners te typeren als achtergebleven, en zeker niet stedelijk. Hier op de zuidoever had de stad Rotterdam altijd functies geplaatst die ze liever niet op de noordoever wilden, zoals de zestiende-eeuwse galg en het achttiende-eeuwse pesthuis. ‘De NRC kwam de brug niet over’ zei wethouder Joop Linthorst in de vroege jaren tachtig.

Het oerlandschap van Zuid vóór de havens was een agrarische wereld, maar ook de wereld van buitenplaatsen, weids landschap met vlasteelt tot aan de oevers van de Oude Maas. Zuid in 1900, dat waren de oude polders van Charlois, van Katendrecht, de Hillepolder, Varkenoord en Smeetsland met dijkdorpen als Katendrecht, IJsselmonde en Ridderkerk, bevroren in de tijd. Tot 1895, toen begonnen werd met het graven van de Maas- en Rijnhaven, was Katendrecht een welvarend dijkdorp, omringd door vruchtbare polders. Een deel van de Rotterdamse elite bracht er de zomermaanden door in chique landhuizen op buitenplaatsen, met een veerpont verbonden met de Veerhaven. Beplante dijken, soms met vijf rijen iepen, markeerden de vlaktes van de lager gelegen polders, en de schuine taluds gaven het landschap een monumentaal karakter.

De grote ontwikkeling van de zuidoever begint aan het einde van de negentiende eeuw. De aanleg van het rijksproject Nieuwe Waterweg in 1872, waarbij de duinen over een afstand van 4,3 kilometer werden doorgraven en een eigen zeetoegang ontstond, was een kantelpunt. Rotterdam veranderde van een koopmansstad, waar de handelaren hun goederen in pakhuizen bewaarden, naar een veel dynamischer overslaghaven, waar alles draaide om het snel en efficiënt overslaan van goederen. De ontwikkeling van de zuidelijke Maasoever tot innovation hub van het industriële tijdperk is het eerste en bepalende hoofdstuk van de proeftuin Rotterdam Zuid. Onder directeur Gemeentewerken G.J. de Jongh (1845–1917) werden de havens thematisch geclusterd. Zuid was voor de bulkgoederen: kolen, graan en ertsen. De toestromende havenarbeiders kwamen aanvankelijk te wonen langs de oude bebouwde dijken zoals we die aan de Zwijndrechtsestraat nog kunnen ervaren. In de Afrikaanderwijk werden rond 1900 langgerekte woonblokken aan smalle straten gebouwd, maar deze buurt was ook de plek waar in 1910 de (verdwenen) woningbouwexperimenten aan de Persoonshaven verrezen.

De tweede proeftuin diende zich al snel aan. De zuidoever werd het nationale experiment van stedenbouw en volkshuisvesting. De betonwoningen in de Tweede Balsemienstraat in Bloemhof laten zien met hoeveel liefde er een woonmilieu werd gerealiseerd dat met alle financiële beperkingen van die tijd tot een ongelofelijk woongenot leidde. De nieuwkomers van toen kwamen uit Brabant, Zeeland en Drenthe, en de cultuurschok was voor hen minstens zo groot als voor de immigranten van latere tijd. Elke maand kwamen er duizend nieuwe Rotterdammers bij. De sociale cohesie was groot; overdag werkten de huisvaders te midden van voorwereldlijke monsterinstallaties in de havens, ’s avonds en op zondag waren er de verenigingen en de kerk in de idylle van het tuindorp. De markante bewoners van tuindorp Vreewijk stonden model voor de personages in de populaire jaren zeventig televisieserie de Fabeltjeskrant. Overigens was dat tuindorp ontsproten aan gezond eigenbelang van de havenwerkgevers: voor de arbeidsproductiviteit van hun werknemers hadden zij belang bij een goede volkshuisvesting. En die besloeg veel meer dan alleen wonen: Vreewijk was als wijk alcoholvrij, er was een fijnmazig systeem van buurtwerk en elke woning werd uitgerust met bedden en matrassen . We kunnen het ons niet voorstellen, maar veel nieuwkomers namen een koe of een geit mee en zetten deze in de achtertuin. Het toont aan hoezeer wij een eeuw geleden moesten wennen aan het wonen in de stad.

Op Zuid ontstond een woonstad voor alle gezindten, met alle soorten van onderwijs, volksbibliotheken, een volkspark en gelegenheid voor sport en amusement. Een stad met eigen
voorzieningen en een eigen centrum. Zuid groeide uit tot een vitrine van de verzorgingsstaat, waar de gemeentelijke overheid het stedelijk leven bewust regisseerde en ontwierp. Een rustige, landelijke sfeer in Bloemhof, met voor die tijd hypermoderne woningbouw in beton, een meer stedelijke sfeer in Hillesluis en Tarwewijk, rond het hart van Charlois een dorpse sfeer en langs de nieuwe singels vrijstaande woningen. In de derde proeftuin van Rotterdam-Zuid werd de prille verzorgingsstaat gevierd. Op het scholenplein aan de Zwartewaalstraat in Charlois voel je de ambitie, het beschavingsoffensief waarbij sociale klassen werden gemengd om tot evenwichtige buurten te komen. In Rotterdam werd in de periode 1920-1940 een stedenbouwkundige traditie geïntroduceerd die gebaseerd was op het componeren en ensceneren van lange lijnen en accentuering van ankerpunten in de stedelijke bebouwing. De dragers voor deze compositie waren het verkeers- en groensysteem, een stelsel van onderling verbonden landschappen, parken, plantsoenen en groene routes op de schaal van de regio. Ankerpunten zijn de scholen, kathedralen van onderwijs, en de kerken, kathedralen van waarden en sociale samenhang.

Na de bevrijding in 1945 werd Zuid het woongebied van de toekomst. De vierde proeftuin voor het wonen in de moderne stad heette de wijkgedachte, in Rotterdam uitgedacht in kringen van links-religieuze intellectuelen, die zich wilden inzetten voor de verheffing van de arbeidersbevolking. Groepering van woningen volgens de wijkgedachte moest voorkomen dat de stedeling een ‘stadsnomade’ werd en kriskras door de stad sociale contacten en vermaak zou zoeken. Voor Pendrecht werd gewerkt met een nieuwe verkavelingsvorm, de wooneenheid. Een wooneenheid bestond uit circa tachtig woningen voor zowel grote en kleine gezinnen als alleenstaanden en bejaarden. Recreatievoorzieningen, scholen, speelplaatsen en buurthuizen in de buurt waren dus van het grootste belang. De straten in Pendrecht zijn vernoemd naar dorpen uit Zeeland en Zuid-Holland die tijdens de Watersnoodramp van 1953 waren getroffen.
De gevolgen voor de vooroorlogse wijken op Zuid waren aanzienlijk. Niet alleen trokken veel Rotterdammers, ‘de gefortuneerde arbeiders’ naar deze nieuwe woonwereld, in de perceptie veranderden de oude wijken in de oude wereld, die smoezelig afstak bij de frisheid van de naoorlogse tuinsteden. In de oude wijken op Zuid ging het fijnmazige stedelijke leven verder, met telkens nieuwe nieuwkomers, waarbij Chinezen en Turken vanaf de jaren zestig de hoofdmoot vormden. De elegante portiekflats in de Stellendamstraat in Pendrecht van architect Harry Nefkens uit 1954 ontsnapten in 2003 aan de sloophamer. De flats, bijgenaamd ‘de vissenkommen’ naar hun grote ramen, kennen doorgangen onder de woonverdiepingen, waarmee de stedelijke ruimte continue en collectief wordt. Achter de onderdoorgang liggen de gemeenschappelijke binnentuinen, waar de bewoners elkaar zouden ontmoeten, zoals dat 40 jaar eerder op de Brink in Vreewijk was gedacht.

In 1974 startte in Rotterdam een intensief proces van stadsvernieuwing, de vijfde proeftuin. Net als aan het begin van de eeuw was de urgentie hoog; de oude wijken stroomden leeg, bewoners trokken naar de randgemeenten of naar nieuwbouwwijken als Prins Alexander. Daar waren comfortabele woningen met een gasaansluiting en een douche, ook al werden na de Groninger gasvondsten in 1957 ook in de oude wijken gasleidingen gelegd. De gemeente kocht in heel Rotterdam in 1975 maar liefst 30.000 woningen op. Aanvankelijk zonder rijksbijdrage begon Rotterdam met verschillende typen renovaties, daarbij ondersteund door een heel leger Delftse ingenieurs, maar ook sociologen en juristen. Met bestemmingsplannen (Hillesluis) of de minder verstrekkende leefmilieuverordening (Bloemhof) werden garages en bedrijfjes in woonstraten weg bestemd met de Hinderwet als hefboom. Kort daarna begon het Rijk financieel bij te dragen en stelde het de Rotterdamse aanpak als voorbeeld voor andere gemeenten. De ‘Hoog Niveau Renovatie’ was de meest verregaande en betekende interne kaalslag: binnen de casco’s werd een volledig nieuwe woningdifferentiatie gerealiseerd. De zogenaamde ‘dakdozen’ in de Gaasbeekstraat en de bloedeloze vernieuwing van de Sandelingstraat in Bloemhof laten zien dat de goede bedoelingen van toen wel het wooncomfort verbeterden, maar het stadsbeeld hier lieten verpieteren.

In 1984 waren er op Zuid 5000 woningwetwoningen aangepakt en was het areaal aan openbare ruimte flink toegenomen; zo lukte het in Hillesluis om het rangeerterrein bij stadion Feyenoord, waar treinen met explosieven en gevaarlijke stoffen stonden, in te richten als het prachtige West-Varkenoordse park (ontwerp Gerrit Smienk en Hubert de Boer, 1982). De aanleg van de Spoortunnel versnelde dit proces, en gaf ook de oude buurt Feyenoord een boost. Met als motto het verbeteren van de leefomgeving werden gaten geslagen in de stedenbouwkundige structuur op plekken die al vanaf de bouw van een mindere kwaliteit waren. Na sloop ontstonden bijvoorbeeld het Polderplein, het Brabantseplein (en het park in het aangrenzende bouwblok), en de beplante overhoeken aan de Wapen- en Schildstraat.

Door alle aandacht voor de woningbouw en wooncomfort zijn andere gebouwen er in de stadsvernieuwing niet altijd even goed afgekomen. De monumentale gemeentelijke scholen uit het Interbellum werden als obstakels gezien – de massieve geboortegolf uit de jaren twintig was al lang voorbij en veel scholen stonden leeg. Ze werden nog niet gezien als kansrijke woongebouwen, al dan niet in collectief particulier opdrachtgeverschap. Prachtige schoolgebouwen werden gesloopt en niet zelden vervangen door nieuwe, niet in het weefsel passende nieuwbouwcomplexen. In Tarwewijk, Hillesluis en Bloemhof werden veel kerken gesloopt. De locaties van de kerken werden vaak plekken voor appartementencomplexen. De oude wijken kregen ook veel nieuwe voorzieningen, als sportfaciliteiten, jeugdhonken etcetera; het stadion Feyenoord en bioscoop/danspaleis het Colosseum waren decennialang de enige gelegenheden voor vrijetijdsbesteding geweest.

De zesde ronde. In de jaren tachtig kwam de Kop van Zuid in beeld als uitbreiding van het centrum. Dit eiland te midden van oude stadshavens werd met de noordoever verbonden met een brug, terwijl stedelijke functies als de Rechtbank ernaartoe werden verplaatst. Hoewel er in de jaren tachtig met wantrouwen naar de Kop van Zuid werd gekeken– de havenpier zou nooit centrum worden, er zou teveel geld naar toe gaan, het project zou bedreigend zijn voor de oude wijken – is de Kop van Zuid een groot succes geworden. Maar of het nog Zuid is, is de vraag. De referentie van het ambitieuze college van toen was Amerika; de hoogbouw en projectontwikkelaarslogica van Baltimore in het bijzonder. Dát zou Rotterdam erbovenop
helpen, na jaren van gemeentelijke stadsvernieuwing. Inmiddels strekt zich tot ver voorbij Katendrecht een nieuwe wereld uit van koopwoningen (Laan op Zuid), lofts (Fenixloodsen), restaurants (Deliplein), culturele voorzieningen (verhalenhuis Belvedere) en sportvoorzieningen (Topsportcentrum). Imago blijft een terugkerende en hardnekkige zaak. Omstreeks het jaar 2000 startte de herstructurering van de naoorlogse woonwijken. Zuidwijk, Pendrecht, Hoogvliet en later Lombardijen werden grondig aangepakt. Grote delen van Pendrecht worden vanaf het begin van de eenentwintigste eeuw gesloopt en vervangen door grotere en duurdere woningen voor een rijkere bevolkingssamenstelling. Regisseur en filmer Reggery Gravenbeek zegt in deze publicatie: “Ik kom uit Slinge, maar daar de film de Druk opnemen geeft nu het verkeerde beeld, tegenwoordig is het meer een Vinex wijk.” Wie de 177 nieuwbouwwoningen en de inrichting van de openbare ruimte in de Herkingenstraat bekijkt ziet wat hij bedoelt. De collectiviteitsambitie van de naoorlogse stadsplanners heeft er geen stand gehouden.

Arrivalcity
Zuid, die eindeloze proeftuin, is aan z’n zevende leven toe. En als je naar de mensen op Zuid kijkt, dan kun je spreken van drie generaties. De eerste generatie, dat waren de nieuwkomers uit Brabant, Drenthe en de eilanden ten zuiden van Rotterdam in de periode 1920-1940. Sociale stijgers, soms met geit, werkzaam in de haven en met een actieradius die precies paste op de door de gemeente met zorg ontworpen wijken. Wijken waar scholen, kerken, verenigingen en burencontacten de regel waren. Die samenleving vertrok gedeeltelijk, met hun stijgende welvaart, naar de nieuwe tuinsteden van na de oorlog, en, in de jaren zeventig en tachtig, naar groeikernen als Barendrecht, Rhoon en Ridderkerk. Maar veel van hun kinderen waren gehecht geraakt aan Zuid en bleven. Tegelijkertijd kwamen niet-westerse migranten, de tweede generatie van nieuwkomers, in de oude wijken te wonen. Al die generaties nieuwkomers brachten hun eigen waarden en samenlevingspatronen mee, hun winkels en boksscholen, hun hobbies en netwerken. Nu, de afgelopen jaren, stroomt de derde groep nieuwkomers Zuid binnen: de welvarende bewoners van Noord, de sociale stijgers van Zuid, en bijna zonder uitzondering betrekken zij een koopwoning in een vernieuwde wijk of een geherstructureerd voormalig industrieterrein. Op wijkprofiel.rotterdam.nl zijn alle cijfers per wijk te vinden, afgezet tegen de percentages van Rotterdam als geheel. Alle drie groepen nieuwkomers hebben op Zuid hun eigen gevoel van thuis ontwikkeld, ‘belonging’ zoals dat zo mooi heet, maar ook hun eigen gevoel van ontheemdheid, zoals het verhaal van Reggery Gravenbeek laat zien.

Die drie golven nieuwkomers maken Zuid voor mij een fascinerend gebied. Wat zou het geweldig zijn om te weten hoe de drie groepen en generaties met elkaar in gesprek gaan, wat ze van elkaar overnemen, maar ook wat ze bij elkaar missen of niet kunnen begrijpen. En zouden er initiatieven, plekken of ruimtes zijn waar al deze mensen zich kunnen scharen rond een gemeenschappelijk doel, ieder op hun eigen manier? Of is dat hopeloos hulpverlenersdenken? Het Essenburgpark-initiatief in Delfshaven laat zien dat de hedendaagse bottum-up samenleving nieuwe collectieve waarden kan bieden. Het Essenburgpark is een tegengeluid richting de verStarbuckisering van wijken, waarbij de consumptiedrang van het eenzame stadsindividu vooropstaat.

Arrival city, de beststeller van de Brits-Canadese journalist Doug Saunders uit 2011, gaat over de trek naar de stad. Saunders bezocht wereldwijd twintig stadswijken om de effecten van ruraal- urbane migratie te onderzoeken. Hij beschrijft het langzame proces van integratie in het nieuwe stadsleven, het hechten aan de nieuwe omgeving. Saunders ziet deze ‘aankomstwijken’ niet als chaotisch, afstotend en disfunctioneel, maar als een veilige haven voor nieuwelingen, aldus Gerben Helleman in zijn recensie uit 2012. De wijk als emancipatiemachine – dat geldt zeker voor de wijken op Zuid, al sinds een eeuw. Hoewel we onze ogen niet moeten sluiten voor de problemen van Zuid, is het voor mij zo merkwaardig dat het frame van bestuurders, bouwers, planners en ontwikkelaars nog altijd lijkt te zijn: DE FYSIEKE STAD OP ZUID, ZOALS HIJ IS, IS NIET GOED EN MOET VERANDERD WORDEN OM WEL GOED TE ZIJN. Het is de oude reflex om de stad te slopen, en er later achter te komen dat daar niet het probleem lag – met een dertien in een dozijn stad als resultaat. Hier klinkt het oude stigma van de boerenzij, waar geen noordeling ooit komt. Waarde is niet alleen monetair te waarderen, het zijn ook, en vooral, de verhalen, sociale structuren, gemeenschappen van mensen, vaste ommetjes, scholen, kerken en winkels. Sociale duurzaamheid en fysieke duurzaamheid bepalen de kwaliteit van een buurtsamenleving, die de ene keer een groot laadvermogen voor nieuwkomers in nieuwe woningen kan opbrengen, maar de andere keer nauwelijks over die capaciteit beschikt. Zit de kracht van Zuid juist niet in die drie gemeenschappen, die ieder voor zich weer uit meerdere generaties bestaan? De zes proeftuinen, een stedelijk weefsel met wijken als personages met karakters, uit de rijkste periode van de publieke sector, tuindorpen uit verschillende fases, sterke woonmilieus voor stedelingen, het is er allemaal. Hoe zou je het weefsel met acupunctuur in plaats van amputatie kunnen aanpassen? Wat is de kwaliteit van de stad die er voor terugkomt? Wie bedenkt de nieuwe wooneenheid voor de samenleving van nu? Hoe kan de loyaliteit en het organiserend vermogen van de zuidbewoner hierin een plek krijgen? Kan hun parallelle economie hierbij helpen? Zo’n koers vereist daadwerkelijke kennismaking met wat er is. Kortom: wat kan de bijdrage zijn van Sculpture International Rotterdam (SIR) en de Eerste Rotterdam Triënnale aan de zevende proeftuin op Zuid? Laten we onszelf bevragen op onze motieven. Het doet ertoe, in een tijd van framing en communicatie.

 

Wees geen vreemde | Dirk van Weelden

De Maassilo is een ruïne van de twintigste eeuwse industriële glorie van Rotterdam en hij staat nors en onverzettelijk neer te kijken op de 21e eeuwse werkelijkheid van Rotterdam Zuid. De Maassilo is een karakteristiek personage dat vertelt over de expansie, het zwoegen, de trots en eigenheid van Rotterdam Zuid. Maar de roestende ruïne is een goede locatie voor dansmuziek, een podium voor bands, huisvesting voor creatieve industrie. Vroeger werd er verdiend aan zwoegende lichamen, nu aan lichamen die in hun vrije tijd dansen, consumeren, sjansen, communiceren. Als ik een uurtje rondloop in de buurt eromheen wordt duidelijk dat dat hippe (nacht)leven maar weinig te maken heeft met dat waarmee de mensen bezig zijn die om de Maassilo heen wonen.

Staand op het Afrikaanderplein kan je over de marktkramen heen de Pretorialaan afkijken en de hoge gebouwen van de Wilhelminapier, en de torens van Rotterdam Centrum zien staan. In de verte glinstert en glimt het van het zelfvertrouwen en het geld, daar worden de zaken gedaan, daar staat de Beurs, en het stadhuis. Daar zijn de musea, de toeristen, de grote winkels, de schouwburg en de architectonische hoogstandjes die bekijks trekken. Zuid is van oudsher de wereld van de werkende mens, vanaf de aanleg van de Nieuwe Waterweg (1866-1872) een magneet voor gelukzoekers die van aanpakken wisten. Uit de verschraalde Belgische Kempen, het Brabantse land, van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden, uit Friesland en Duitsland en Engeland en later uit Spanje, Portugal, Joegoslavië, Kaapverdië, Suriname, Marokko, Turkije en inmiddels uit meer dan honderd andere landen. Er werden havens aangelegd, schepen gebouwd en honderdduizenden schepen gelost en geladen, schoongemaakt en opgekalefaterd. Rondom de haven floreerden fabrieken.
Wat het leven nog meer is dan werken, huur betalen, huishouden en kinderen opvoeden, kreeg hier op Zuid aanvankelijk vooral zijn vorm in het ruige uitgaansleven voor zeelui op Katendrecht, in sport (oftewel boksen en de voetbalclub Feijenoord) en in de grote diversiteit aan kerkgenootschappen. Er is veel veranderd sinds 1970 maar niet dat de cultuur, de kunst, muziek, de letteren, de dans en het betere uitgaansleven daar, aan de overkant van de Maas zijn. Hier geen allure, glamour of stijl, geen bruisende mix van hoge en lage cultuur. Veel onzekere nieuwkomers, ex-dorpelingen en zware gelovigen, zo was het vanaf het begin.

Wat altijd weer opvalt als je in Rotterdam komt: hoe vaak en hoe gretig de inwoners, met elkaar en met bezoekers, de verschillen tussen Rotterdam en de rest van de wereld bespreken. Rotterdammers maken hun uitzonderlijkheid en eigenheid graag expliciet, net zo lang tot de buitenstaander zich afvraagt wie ze willen overtuigen (zichzelf?), of welk gevaar ze willen bezweren. Er is vaak een verontwaardigde ondertoon in te horen. Al dan niet verpakt in spot. Met Rotterdammers over Zuid praten roept een verhevigde versie van deze eigenaardigheid op: ‘wanneer houden ze nou eens op alleen maar te mekkeren dat het de ergste en grootste achterstandswijk van het land is. Op Zuid wonen de mensen zonder praatjes, die ploeteren, die niet gezien en gewaardeerd worden en veel meer opknappen en samen voor elkaar krijgen dan de buitenwacht wil weten.’ Of zoals de man bij de Turkse moskee tegen me zei: ‘Het is hier goed, we hebben het hier altijd goed gehad.’ Met een gezicht dat zei: of dat nou waar is of niet, wij redden ons wel zonder jou.

Sterker door strijd, staat er op de vlag met het stadswapen. Kunnen incasseren, onverstoorbaar zijn, hard werken en saamhorigheid zijn meer waard dan schoonheid, gemak, historie, individualisme en virtuositeit. Het is de heroïek van de trotse underdog, omlijst door jofele cynische humor en radicale nuchterheid. Het opvallende is dat het vernieuwende en toekomstgerichte, het opbouwende, het doortastende lef dat ook bij Rotterdam hoort, op Zuid niet in het oog springen.

    Hier en niet-hier

Vlak voor het Zuidplein ligt er een aluminium deurklink tegen de gevel. Ik raap hem op, veeg het zand en stof eraf. Er zitten butsen in alsof er hard op geslagen is met een breekijzer of tang. Scherpe randjes aan mijn vingertoppen. Zonder te weten waarom steek ik hem in mijn jaszak. Op welke deur past ie? Ik hoef het niet te weten, het is mijn totem tijdens mijn rondgang hier. Ik ben een vreemde, iemand met een deurklink zonder deur.

Het is een inmiddels algemeen erkend probleem: de enorme diversiteit van Rotterdam Zuid bestaat uit tientallen langs elkaar levende gemeenschappen, en als ik het zesde uithangbord met het woord Sultan erop zie, besef ik dat je dat woord twintig jaar geleden niet zag, dat deze Turkse ondernemers pas met de opkomst van Erdogan in hun vaderland die verwijzing naar het Ottomaanse verleden aan de gevel durven hangen.
Niet lang geleden sprak ik een Turkse jonge man die voor grafisch ontwerper studeert en hij vertelde dat zijn opa, die naar Nederland kwam in de jaren zestig, eens per maand kort belde met zijn gezin en verder brieven schreef. Veel verenigingsleven was er niet, hij trok op met Spanjaarden en Nederlanders. Hij las Turkse kranten, maar hij was vooral bezig met wat de Nederlandse vakbond voor hem wist te bereiken. Eens per jaar kwam hij een maand naar het dorp terug. Hij zette een eigen zaak op, leerde zich redden in Nederland. Zijn zoon kwam ook naar Rotterdam toen hij in de twintig was, en hij las Nederlandse kranten, keek naar de Nederlandse televisie, maar installeerde ook een schotelantenne om Turkse zenders te ontvangen. Hij was geloviger, vaker in de moskee en actiever in het verenigingsleven dan opa. Mijn vrienden, zei de jonge man, lijken nog weer Turks-nationalistischer dan mijn vader of opa. Ze zijn veel bezig met wat er in Turkije gebeurt, via internet, televisie en door contact met familie daar. De mislukte coup verdeelt de Turkse gemeenschap. Het is of die jongens maar half hier zijn, ze zijn met hun hoofd veel daar en bekijken alles hier vanuit de verte. Er zijn er zelfs bij die niet weten of ze hier willen blijven als ze zijn afgestudeerd. Ze twijfelen aan hun toekomst in Nederland. Ze voelen zich niet geaccepteerd, niet thuis. Al die jongens, net als hij, zijn in Nederland geboren.

Niet-hier. Dat was een uitdrukking die bleef hangen. En het lijkt me logisch dat in Rotterdam wonende Syriërs, Koerden en Iraqi met iedereen die maar wil alle details van het verloop van de oorlog in Syrië en met ISIS bespreken. Iets vergelijkbaars geldt voor Afghanen, Nigerianen, Somaliërs en Egyptenaren. Het gemak waarmee digitale media ons met nieuws en personen, en dus ook met propaganda en geestdrijverij uit verre landen kunnen verbinden is verbluffend en vraag het maar aan leraren op de middelbare scholen: het levert een hoop verwarring en misverstanden op, veel onbegrip en ruzie.

Ik vroeg me af wat ‘hier-zijn’ dan betekende. Mij leek dat het zoiets was als het vanzelfsprekende gevoel dat je in Nederland, in Rotterdam bijvoorbeeld, ging werken, leven, gelukkig probeerde te worden en je zou laten gelden, als burger, belastingbetaler, kiezer, moeder, voetbalfan, ondernemer enzovoort. Niet dat er dan geen ruimte zou zijn voor iets extra’s, iets Fries, Iers, Twents, Hongaars, Marokkaans of Nigeriaans, maar dat je leven zich afspeelde op het speelvlak van de Nederlandse maatschappij dat stond voorop.

Als ik eerlijk ben en terugdenk aan het moment dat ik net afgestudeerd was en een bijstandsuitkering aanvroeg, in 1983, was het een schrikbeeld om te moeten gaan deelnemen aan het Nederlandse maatschappelijke systeem. Het ergste was dat ze me zouden dwingen een gewone baan te accepteren. Als het even kon hield ik zoveel mogelijk afstand van de wereld van bureaucratie, zaken doen, carrière maken en de geschreven en ongeschreven regels van bestuur, bedrijf, vereniging, partij en media. Ik wilde het liefst in mijn eigen quasi-zelfstandige zone leven, zodat ik met afwassen in een café, wat geld voor stukken in tijdschriften, een voorschot en misschien een beursje het leven kon leiden van een schrijver, tussen mijn vrienden die kunstenaar, muzikant, meubelmaker of dichter waren. Ik ben van de krakersgeneratie, ik ken de verleiding van de gedachte te willen leven in een soeverein netwerk buiten de gewone mensenmaatschappij, en op een fundamenteel niveau niet mee te doen. Ook al was ik door en door Hollands, uit een hoog opgeleid wit gezin, toch ken ik het gevoel de maatschappij te bekijken als een bos waar ik me liever niet te diep in waagde. Omdat het daar draaide om dingen die ik niet in mijn leven wilde toelaten. Die ik bedenkelijk of zelfs fout vond. Mensentypes met wie ik liever niet omging. Ik weigerde een strijd aan te gaan om zaken waar ik totaal anders over dacht dan de meerderheid. Nederland was mijn land wel, maar met veel van de heersende normen en waarden vereenzelvigde ik me helemaal niet. Van een afstand gezien was ik een normale witte werkeloze academicus, die uit zijn uitkering probeerde te komen, met zijn vrienden in het café zat en keurig opkwam bij de verkiezingen. Maar ik voelde me een buitenstaander, ik deed niet echt mee. En met overtuiging.

Ik vertel dit om te laten zien dat het nog moeilijk is om zelfs in het land waar je geboren en getogen bent, helemaal ‘hier’ te zijn en je thuis te voelen. En nog moeilijker als je opgroeit in een migranten-gemeenschap, die wat taal, geloof en cultuur betreft een minderheid is. Wat voor ongeveer de helft van de mensen in Rotterdam Zuid opgaat. Die vaststelling betekent ook dat ik me goed kan voorstellen dat mensen die opgroeiden in Rotterdam Zuid en nu vijftig, zestig, zeventig zijn, zich daar nu vreemden voelen, en voor een groot deel leven in herinneringen aan een andere tijd. Ook zij zijn in een belangrijk opzicht niet-hier, en ze vluchten misschien daarom graag naar hun buitenhuisjes bij Hoek van Holland, naar chalets op campings, tussen soortgenoten, waar het niet zo opvalt dat ze moeite hebben met de sociale werkelijkheid waarin ze leven.

    Je moet het leren

Het is een plezier in het sprekende gezicht van Hoessein te kijken. Hij is een fitte man van rond de zestig met een Mediterraan uiterlijk, kort grijzend haar, een energieke blik en een mond waar lange, lenige zinnen uit stromen in een creatief aangepast Nederlands. Hij is al jaren actief in de Afrikaanderwijk en begeleidt groepen kinderen, maar ook praat hij met groepen Marokkaanse vaders. Als er iets is waar hij enorm door gegrepen is dan is het dit: hoeveel een mens zijn verhouding tot de maatschappij, zijn werk, zijn buurt, zijn familie en kinderen, tot God, kan veranderen door zich te ontwikkelen, door te leren, door zich overal en altijd open en leergierig op te stellen. Hij spreekt zo te merken uit eigen ervaring. Hij is naar Nederland gekomen en is, zoals hij zelf zegt altijd blijven studeren. Theologie, geschiedenis en filosofie. Maar hij heeft ook gereisd, hij was een jaar op een universiteit in Rusland.
Ik vraag hem hoe hij denkt over dat gedeeltelijk niet-hier zijn van veel mensen in Rotterdam Zuid, waar komt dat door?

Natuurlijk noemt hij ook de toegenomen vijandigheid tegen mensen met een migrantenachtergrond, de media die in stereotypen berichten en steeds dezelfde problemen op dezelfde manier belichten, en zelden of nooit de gewone en menselijke kant van de migrantengemeenschappen laten zien. Dat maakt dat mensen zich buitengesloten voelen en afgewezen. Dat veroorzaakt een ontheemd gevoel. Maar er is iets anders waar Hoessein zich veel drukker over maakt, omdat hij daaraan iets denkt te kunnen doen. En dat is de bange en passieve houding die de Marokkaanse gemeenschap aanneemt tegenover het enige dat de situatie voor hun verbeteren kan: zich ontwikkelen, leren, nieuwe denkbeelden ontdekken en accepteren dat de toekomst van hun kinderen hier ligt, in Nederland, waar de meerderheid anders denkt dan in het dorp in Marokko.
‘Om een goede vader te kunnen zijn voor je kinderen in Nederland moet je leren begrijpen hoe de westerse wereld werkt en hoe Nederland in elkaar zit. Je moet leren begrijpen hoe je daarin je kinderen opvoedt en de beste kansen geeft. Dat betekent helpen, steunen, stimuleren en betrokken zijn. In plaats van afkeuren, straffen, verbieden, afstand houden. Dat moeten ze leren, ik moet die mannen die hier vanuit armoede en analfabetisme zijn gekomen door elkaar schudden, want er is veel schaamte en passiviteit. Ze nemen hun verantwoordelijkheid niet omdat ze bang zijn veroordeeld te worden door hun kinderen om hun gebrek aan succes, om hun onwetendheid. Dat is rampzalig voor die kinderen. Want die vaders kunnen wel sparen voor een huis in Marokko, maar die kinderen gaan daar nooit leven, hun toekomst is hier. Uiteindelijk interesseert Marokko die kinderen niet. En wie zich durft te ontwikkelen en leert, zal mogelijkheden leren zien om zijn kinderen een goed leven en een gevoel van thuis te geven hier. Ze moeten zich hier leren redden en een leven voor zichzelf veroveren. Waarom besteden die vaders hun geld niet hier, waarom investeren ze niet in de toekomst van de kinderen, met geld, tijd, aandacht, opvoeding, steun?’
Hoessein put zijn inspiratie uit zijn geloof, dat vertelt hij graag en op een uitgesproken vrolijke toon. Ieder mens heeft dezelfde waarde en waardigheid, ongeacht zijn herkomst, geloof, rijkdom of ontwikkeling. Hoessein vindt dat als het op het geloof aankomt je je gezonde verstand moet gebruiken. Er zijn nou een keer verschillende godsdiensten en ook al denk je dat de jouwe beter is, die andere godsdiensten hebben allemaal iets te bieden, het zijn ook manieren om het menselijke en het goddelijke met elkaar in verband te brengen. Je kunt van iedereen iets leren. Zelfs van ongelovigen! In Nederland beschermt de grondwet de minderheden en de vrijheid van godsdienst en iedereen zou er dus goed aan doen de grondwet te omarmen, zodat we in vrede kunnen samenleven. Uit zijn eigen ervaring blijkt dat je nergens een vreemde hoeft te zijn, als je maar met zelfrespect en een open blik op anderen afstapt en laat merken dat je wilt leren. Door zijn charismatische en energieke manier van doen zie je meteen: zijn eigenheid als Marokkaan, als moslim, als nieuwe Nederlander, is geen probleem, het is zijn manier er te zijn, en met alles en iedereen contact te maken. Hij lijkt niet bang om iets nieuws te leren, van gedachten te veranderen, moeite te doen. Hij is vooral niet bang zichzelf te verliezen. Ik bewonder zijn bevlogenheid en ongeduld met die passieve, bekrompen en beschaamde mannen, omdat het is ingegeven door zijn zorgen om de kinderen en jonge volwassenen die hij ziet.

Als ik bij mezelf naga wanneer dat defensieve gevoel verdween waarmee ik me tegenover de meerderheid en de maatschappij opstelde, dan valt dat samen met het ontstaan van het inzicht van waaruit Hoessein handelt: die wantrouwige en defensieve houding zadelt je kinderen op met een onzekere en kwetsbare identiteit. Toen mijn kinderen naar school gingen dacht ik: er zijn meer mensen zoals ik, en ook al zijn wij een minderheid, die horen ook gehoord te worden, er te zijn, hun bijdrage te leveren, en samen met anderen van dit land iets te maken. En mijn kinderen moeten leren van zo’n wereld deel uit te maken, ik moet het ze makkelijker in plaats van moeilijker maken. Je ergens thuis leren voelen is niet hetzelfde als je onderwerpen aan de normen van de meerderheid. Je moet leren een gelukkige plaats te maken voor wie je bent.

Er is een Amerikaanse uitdrukking die gebruikt wordt als mensen verhuizen, of een lange reis gaan maken: Don’t be a stranger. Het is een vriendelijk bedoelde waarschuwing, die de ander eraan herinnert dat het moeite kost tegen de druk van de veranderde omstandigheden in de vriendschappelijke vertrouwelijkheid te behouden. Laat de vriendschap niet tussen je vingers wegglippen. Ik hoor er ook iets anders in: het is een waarschuwing voor de realiteit van het vreemde-zijn, want dat is een ongelukkige en hachelijke toestand, die je niemand gunt. En je kunt dat zomaar worden, zonder dat je dat eigenlijk wilt.
Wees geen vreemde, want een vreemde heeft geen vanzelfsprekende plaats in de gemeenschap. Die is eenzaam, zelfs als hij met soortgenoten op een kluitje zit. Die wordt een stereotype in plaats van een individu. Eenzaamheid is te omschrijven als een toestand die beheerst wordt door negatieve gevoelens als gevolg van een kwantitatief en/of kwalitatief tekortschietend sociaal netwerk. Het niet-hier zijn, het leven tussen het vreemde vaderland en het half-vreemde Nederland in leven, is een vorm van eenzaamheid. Die resulteert in het onvermogen waar Hoessein tegen vecht: niet kunnen leren, veranderen, ontwikkelen. Wie begrijpt dat vreemden ongelukkiger zijn snapt dat hij moet leren en veranderen. De voorouders van inheemsen waren vreemden. Vreemden maken van zichzelf inheemsen.

    Tweehonderdduizend individuele levens

Op weg naar metrostation Maashaven zie ik de metalen slang voor de gevel van de oude vermoeide Maassilo glijden. Iedereen begrijpt dat betere huizen, diploma’s en banen goed zijn tegen de problemen van Rotterdam Zuid en de kwaliteit van leven verbeteren. Maar om al die investeringen een bestendig effect te laten hebben is het nodig dat de mensen die in Zuid wonen op termijn ook (om in Hoesseins termen te spreken) minder passief, bekrompen en beschaamd zijn, minder eenzaam. Minder vreemd. Meer thuis. Dat is een verandering die je cultureel kunt noemen en waar allerlei soorten creatieven, cultuurwerkers, onderwijzers, coaches en kunstenaars iets aan kunnen bijdragen.

Terwijl ik de trap oploop naar het perron vindt mijn hand de losse deurklink in mijn jaszak. Ergens hier in Rotterdam Zuid is een deur die je ermee kon openen. Wiens deur? Degene op wiens deur deze klink paste heeft een leven waarvan je veilig kunt aannemen dat wetenschappers, politici, journalisten, artiesten, geestelijken, technici, dokters, generaals er niet erg belangrijk in zijn. En als we nuchter zijn is dat voor vrijwel ieder mens het geval. In ons individuele leven draait het om zorgen, gedachten, gevoelens, verlangens en angsten, waar al die machtige en belangrijke mensen en instellingen ver vanaf staan. Sterker: er blijft zelfs in de gesprekken met familie, vrienden, buren en collega’s erg veel van wat we ervaren en denken onbesproken, onbenoemd, ja zelfs ontkend. We hebben het in feite zelden over hoe het leven aanvoelt, hoe we over de toekomst denken, worstelen met ons verleden. Toch bepalen die dingen wie we zijn en hoe we handelen.
Hoe ieder individueel leven, met zijn eigen waarde en waardigheid, zijn eigen beperkingen en mogelijkheden, past in een familie, een gemeenschap, een buurt, een stad, een land, dat is iets wat zich grotendeels in de schaduw, in het verborgene afspeelt. Hoe beter je zelf kunt waarnemen wat daar gebeurt, en het leert articuleren en bevragen, hoe beter je in staat bent een thuis te maken en geen vreemde te zijn. Want thuis zijn gaat over het leren vinden en maken van een plek voor wie je bent, hoe je wilt leven en je kinderen wilt opvoeden. Dat is iets wat je kunt leren, en dat doe je nooit alleen, maar door ervaringen te delen en gesprekken te hebben. En het zijn geen diploma’s, contracten en wetten die dat op gang brengen, maar liederen, toneelstukken, verhalen, muzikanten, boeken, lezingen, discussies, preken en tentoonstellingen.
Dat zijn namelijk allemaal pogingen om in het openbaar toegang te geven en waarde te zien in de individuele ervaring van wat er toe doet in het leven. Dat zijn verhalen, beelden en liederen waar veel pijn en wanhoop in zit, veel pech en verlies. Maar ook veel liefde, vriendschap, schoonheid, levenslust. Ze leveren geen absolute waarheden, onwankelbare zekerheden, universele regels en simpele oplossingen op. Het stopt nooit en voor niemand, ook niet voor Hollanders: geen vreemde worden. Niemand krijgt het thuis-gevoel cadeau, nergens. Daarvoor verandert de wereld te snel en is de geschiedenis van al die miljoenen mensen te complex. Geen vreemde worden is een openbare activiteit.

De metro duikt onder de grond, ik rijd onder de Maas door, en laat Rotterdam Zuid achter me. De elektrische motor giert, het ratelende geluid van de wielen weerkaatst tussen trein en tunnelmuur. Lampen schieten als strepen voorbij in het donker. Met gesloten ogen stel ik me een bloemperk voor, ergens in een straat in het oude Westen, waar ik de deurklink ga neerleggen, een vergeten detail uit het leven van een man of vrouw uit Zuid. Een beeld waarmee ik Rotterdam Centrum binnenrijd.

Publicatiedatum: 18/11/2019

Programma